In het embryo worden cellen van het dermomyotoom van de somiet door signalen uit de neurale buis, de chorda en het oppervlakte-ectoderm ertoe aangezet de myogene factoren MyoD en Myf5 tot expressie te brengen: het zijn nu myoblasten, gedetermineerd maar nog delend en onopvallend van uiterlijk. Myoblasten migreren — bijvoorbeeld de ledemaatknoppen in — en vermenigvuldigen zich zolang er groeifactoren (FGF) aanwezig zijn. Wanneer die op raken, treden ze uit de celcyclus, brengen ze een tweede factor, myogenine, tot expressie, stellen ze zich kop aan staart op en versmelten ze: hun membranen vloeien samen tot één lange myotube met vele kernen op een rij. De myotube schakelt de spiergenen aan — actine, myosine, troponine, tropomyosine, creatinekinase, de acetylcholinereceptor —, bouwt het contractiele apparaat en rijpt tot een spiervezel waarvan de kernen aan de rand liggen. Een vezel deelt zich nooit meer; een paar myoblasten blijven er in rust naast liggen als satellietcellen, de stamcellen die de spier levenslang herstellen en laten groeien.
Voorbeelden
Voorbeeld 12.8 (Groei en herstel)
Een spier groeit bij de volwassene niet door vezels toe te voegen maar door ze te vergroten: training voegt myofibrillen aan elke vezel toe, en satellietcellen versmelten ermee om de extra kernen te leveren die een groter cytoplasma nodig heeft. Na een verwonding delen dezelfde cellen zich, brengen ze MyoD opnieuw tot expressie, versmelten ze en herbouwen ze het beschadigde segment binnen enkele weken — het embryonale programma, bij de volwassene opnieuw afgespeeld. Bij spierdystrofie missen de vezels dystrofine, een eiwit dat de myofibrillen aan het membraan vastmaakt, en scheuren ze tijdens de samentrekking; de satellietcellen herstellen ze steeds opnieuw, tot de voorraad na jaren is uitgeput en bindweefsel de plaats van de spier inneemt.