Een cel is gedifferentieerd wanneer ze het stabiele genpatroon — en dus de eiwitten, de vorm en de functie — van één celtype tot expressie brengt. Ze is gedetermineerd (of vastgelegd) wanneer haar lot vastligt hoewel haar differentiatie nog niet is begonnen: een myoblast ziet eruit als een fibroblast, maar zal alleen spier maken. Potentie is het bereik aan typen dat een cel nog kan voortbrengen: totipotent (de zygote en de eerste blastomeren, die alles maken, de placenta inbegrepen), pluripotent (de binnenste celmassa, die elk weefsel van het lichaam maakt), multipotent (een stamcel van het bloed of van spier, die de typen van één weefsel maakt), unipotent. Een stamcel is een cel die zich deelt in een dochtercel die aan haarzelf gelijk is en een die verder differentieert, wat de voorraad in stand houdt en tegelijk het weefsel bevoorraadt. Differentiatie is in de meeste gevallen geen verlies van genen maar een keuze tussen genen: het genoom van een spierkern is volledig.
Biologie · Begrippenlijst