Fenotypische plasticiteit is het vermogen van één genotype om in verschillende omgevingen verschillende fenotypen voort te brengen. De reactienorm van een genotype is de kromme van zijn fenotype tegen een omgevingsvariabele — bladdikte tegen licht, stengellengte tegen temperatuur; genotypen verschillen in hun reactienormen, en die verschillen zijn erfelijk, ook wanneer de plasticiteit zelf dat niet is. Acclimatisatie is de omkeerbare, fysiologische vorm: een blad dat in een droge week zijn cuticula verdikt, een cel die in de herfst antivries maakt. Adaptatie, in evolutionaire zin, is de erfelijke afstemming van een lijn op haar habitat, over generaties geselecteerd; een cactus is aangepast aan droogte, een boon acclimatiseert aan een droge periode. Planten zijn plastischer dan dieren omdat ze modulair en onbegrensd zijn (Hoofdstuk 13): het volgende blad kan anders worden gebouwd dan het vorige, en het sessiele bestaan maakt plasticiteit de enige manier om te bewegen.
Voorbeelden
Voorbeeld 15.11 (Signalen die liegen)
Plasticiteit is maar zo goed als het signaal. Een zaailing in de verroodschaduw van een buur strekt zich — terecht als die buur een zaailing is die hij kan overgroeien; fataal als het een boom is, want de reserves die aan stengel worden besteed, gaan verloren voor wortel en blad. Dicht geplante gewassen beschaduwen elkaar, strekken zich en legeren; veredelaars hebben tarwe en rijst geselecteerd die het verroodsignaal negeren. Een warme week in februari laat bladeren uitlopen die een maartvorst doodt; de planten die overleven, zijn die welke ook de kou tellen (Hoofdstuk 14). Elke plastische respons is een weddenschap op de eerlijkheid van het signaal, en de reactienorm wordt gevormd door hoe vaak het signaal in het verleden van de lijn de waarheid sprak.