Elke geslachtelijke levenscyclus bevat één bevruchting, die het chromosoomaantal verdubbelt, en één meiose, die het halveert; de cycli verschillen in wat er tussen beide gebeurt. In een haplontische cyclus is de zygote de enige diploïde cel en ondergaat ze meteen meiose; het organisme is haploïd en maakt zijn gameten door mitose (Chlamydomonas, veel algen en schimmels). In een diplontische cyclus maakt de meiose rechtstreeks gameten, zijn de gameten de enige haploïde cellen en is het organisme diploïd (dieren, het bruinwier Fucus). In een haplodiplontische cyclus maakt de meiose sporen, die door mitose uitgroeien tot een haploïd organisme, de gametofyt, dat door mitose gameten maakt; de zygote groeit door mitose uit tot een diploïd organisme, de sporofyt, dat door meiose sporen maakt. Twee meercellige lichamen wisselen elkaar af — de generatiewisseling — en dit is de cyclus van elke landplant en van veel algen.
Voorbeelden
Voorbeeld 5.11 (De groepen vergeleken)
| mossen | varens | coniferen | |
|---|---|---|---|
| dominante generatie | gametofyt | sporofyt | sporofyt |
| gametofyt | bebladerd stengeltje, cm | prothallium, mm, vrij | stuifmeelkorrel (4 cellen); inhoud van het zaadbeginsel (duizenden cellen) |
| sporen | één soort | één soort | microsporen, megasporen |
| bevruchting | zaadcellen zwemmen in water | zaadcellen zwemmen in water | stuifmeelbuis |
| verspreiding | spore | spore | zaad |
| vaatweefsel | geen | xyleem, floëem | xyleem, floëem, hout |