Biologie · Begrippenlijst

Wat is Heterosporie, stuifmeel, zaadbeginsel?

Definitie 5.7 Universitaire biologie — jaar 2 · Hoofdstuk 5 — Levenscycli en voortplanting van landplanten

Mossen en de meeste varens zijn isospoor: één soort spore, één soort gametofyt die beide geslachten draagt. Zaadplanten (en enkele varens en wolfsklauwen) zijn heterospoor: microsporen, klein en talrijk, groeien uit tot mannelijke gametofyten; megasporen, groot en weinig talrijk, tot vrouwelijke. Bij zaadplanten zijn beide tot bijna niets teruggebracht en verlaat geen van beide op eigen kracht de weefsels van de sporofyt. De mannelijke gametofyt is de stuifmeelkorrel: een microspore die zich binnen haar wand twee of drie keer heeft gedeeld, door wind of dieren naar het vrouwelijke orgaan gebracht, waar ze een stuifmeelbuis vormt en haar zaadcellen afgeeft — zonder water. De vrouwelijke gametofyt ontwikkelt zich in het megasporangium, dat op de ouderplant blijft, omsloten door een of twee integumenten met een opening, de micropyle: de hele structuur is het zaadbeginsel. Na de bevruchting wordt het zaadbeginsel het zaad: een embryonale sporofyt, een voedselvoorraad en een zaadhuid, gevormd uit de integumenten, in rust tot de omstandigheden gunstig zijn.

Een zaadbeginsel van een naaktzadige in doorsnede. De vrouwelijke gametofyt, gegroeid uit één megaspore in het megasporangium, is omhuld door een integument met een opening; de stuifmeelkorrel, opgevangen bij de micropyle, groeit met een buis naar de eicel. Na de bevruchting wordt het geheel het zaad.
Een zaadbeginsel van een naaktzadige in doorsnede. De vrouwelijke gametofyt, gegroeid uit één megaspore in het megasporangium, is omhuld door een integument met een opening; de stuifmeelkorrel, opgevangen bij de micropyle, groeit met een buis naar de eicel. Na de bevruchting wordt het geheel het zaad.
Het tijdschema van een dennenzaad: bestuiving in het eerste voorjaar, bevruchting meer dan een jaar later, uitstrooien van het zaad in de tweede herfst — ongeveer achttien maanden van stuifmeel tot zaad.
Het tijdschema van een dennenzaad: bestuiving in het eerste voorjaar, bevruchting meer dan een jaar later, uitstrooien van het zaad in de tweede herfst — ongeveer achttien maanden van stuifmeel tot zaad.

Voorbeelden

Voorbeeld 5.9 (Stuifmeel in de wind)

Een stuifmeelkorrel van een den, 50µm50\,\text{µ}\mathrm{m} groot en met twee luchtzakken, valt met ongeveer 3cm/s3\,\mathrm{cm}/\mathrm{s}; een grote boom laat in een seizoen zo’n 101110^{11} korrels los, genoeg om vijvers geel te kleuren. De kans dat één korrel op een bepaald zaadbeginsel landt, is piepklein, en de strategie werkt alleen in grote aantallen: windbestuiving is goedkoop per korrel, duur in korrels, en beperkt tot planten die in bestanden van hun eigen soort groeien — coniferen, grassen, eiken. De bloemplanten (Hoofdstuk 6) vonden een manier om stuifmeel door dieren te laten bezorgen, korrel voor korrel op het juiste adres.

Voorbeeld 5.11 (De groepen vergeleken)

mossenvarensconiferen
dominante generatiegametofytsporofytsporofyt
gametofytbebladerd stengeltje, cmprothallium, mm, vrijstuifmeelkorrel (4 cellen); inhoud van het zaadbeginsel (duizenden cellen)
sporenéén soortéén soortmicrosporen, megasporen
bevruchtingzaadcellen zwemmen in waterzaadcellen zwemmen in waterstuifmeelbuis
verspreidingsporesporezaad
vaatweefselgeenxyleem, floëemxyleem, floëem, hout
Lees in het hoofdstuk →