Een levensvatbaar zaad dat niet kiemt onder omstandigheden die groei zouden toelaten, is in kiemrust. De kiemrust wordt tijdens de rijping van het zaad opgelegd door abscisinezuur (ABA), dat ook de opslag van reserves en het uitdrogen van het embryo aanstuurt, en ze wordt in stand gehouden door de zaadhuid (ondoorlaatbaar voor water of zuurstof, mechanisch remmend) of door de eigen toestand van het embryo. Ze wordt doorbroken door de signalen die het einde van het ongunstige seizoen markeren: weken kou en vocht (stratificatie, de vernalisatie van het zaad), licht — voor kleine zaden die dicht bij het oppervlak moeten liggen, waargenomen door fytochroom — of duisternis, wisselende temperaturen, het uitspoelen van remstoffen door regen, het opruwen van de zaadhuid door de bodem of een darm, rook en hitte na een brand. De beslissing is een evenwicht tussen ABA en gibberelline: de doorbrekende signalen verlagen ABA en verhogen gibberelline, dat de reserves mobiliseert (Hoofdstuk 6) en de kiemwortel laat groeien. Een populatie zaden is niet uniform: een deel kiemt bij de eerste gelegenheid, de rest wacht een jaar of langer, zodat geen enkel slecht seizoen het hele cohort doodt — de zaadbank, een verzekering tegen een onvoorspelbare wereld.