Materie bestaat voor een bioloog in twee soorten:
- minerale materie: materie van de niet-levende wereld — water, de gassen van de lucht, gesteente, de opgeloste minerale zouten uit Propositie 22.3;
- organische materie: materie die door levende wezens gemaakt is en waaruit hun lichaam bestaat — hout, blad, spier, vet, suiker, wol. Brandbaar, verteerbaar, en altijd terug te voeren op een levende maker.
Voorbeelden
Voorbeeld 40.2 (Een broekzak indelen)
Uit een jaszak na een wandeling: een kiezel — mineraal; een hazelnoot — organisch (een hazelaar maakte hem); een plastic knoop — naar oorsprong toch organisch (plastic wordt gemaakt van olie, de omgezette resten van oeroude levende wezens); een regendruppel — mineraal; een wollen want — organisch (een schaap maakte de wol).