Een soort is één bepaald type levend wezen: alle individuen die op hetzelfde model gebouwd zijn en die zich onderling voortplanten. De huismus is een soort; het madeliefje ook, en de vos, en de tuinslak. De klassen uit Hoofdstuk 21 zijn dozen vol soorten: “zoogdieren” bevat er duizenden.
Voorbeelden
Voorbeeld 30.3 (De planeet tellen)
Wetenschappers hebben tot nu toe ongeveer twee miljoen soorten benoemd — en ze weten zeker dat dat maar een deel van het totaal is, want elke serieuze expeditie vindt nieuwe soorten: vooral kevers (geen groep heeft meer benoemde soorten), maar ook vissen, kikkers, planten en zelfs af en toe een zoogdier. Het volledige soortenaantal van de aarde is nog onbekend — de meeste schattingen lopen tot miljoenen boven wat benoemd is.
Voorbeeld 30.6 (De boomgaardtest)
Een boomgaard met heggen, bloemenstroken en oude bomen herbergt tientallen helpersoorten: bijen en zweefvliegen bestuiven de bloesem (Opmerking 16.5), lieveheersbeestjes eten de bladluizen, vogels patrouilleren op rupsen, wormen houden de bodem open. Rooi de heggen en maai de bloemen weg, en de helpers vertrekken — de fruitteler moet hun taken dan alleen doen, taken die het web vroeger gratis deed.
Voorbeeld 30.7 (Mensen leven van het web)
Alles wat mensen eten is terug te voeren op levende soorten (Opmerking 22.8); de meeste van onze medicijnen zijn eerst in planten, schimmels en andere levende wezens gevonden; katoen, wol, hout en leer zijn producten van soorten. De draden van het web lopen dwars door elke keuken, apotheek en kledingkast.