De moleculen van een levend wezen vallen in twee groepen. De minerale stof bestaat uit moleculen die ook buiten levende wezens voorkomen: water en de opgeloste minerale zouten (ionen zoals , , , , fosfaat en bicarbonaat). De organische stof bestaat uit moleculen die gebouwd zijn op een skelet van koolstofatomen gebonden aan waterstof, en meestal ook aan zuurstof en stikstof — moleculen die op aarde alleen door levende wezens of uit hun resten worden gemaakt.
Voorbeelden
Voorbeeld 1.7 (Een schijfje appel drogen)
Een schijfje verse appel met massa wordt gedroogd tot de massa zich op instelt. Verloren water: , dus , oftewel 85% van de verse massa. De die overblijven zijn de droge stof: organische moleculen plus minerale zouten. Verbrand die droge stof en er blijft ongeveer bleke as — de minerale zouten — over; de rest, het organische deel, is als koolstofdioxide en waterdamp verdwenen.
Voorbeeld 1.9 (Minerale zouten die je kunt noemen)
Calciumfosfaat verstevigt bot en tanden (calcium is 1.5% van de lichaamsmassa, vrijwel alles in het skelet). Natrium- en chloride-ionen bepalen het zoutgehalte van het bloed, dicht bij ; kaliumionen zijn geconcentreerd in de cellen; ijzer zit in het hart van hemoglobine; jood is nodig om het hormoon van de schildklier te maken. Een mineraal zout is nooit een energiebron, maar een lichaam dat er één mist, faalt bij een nauwkeurig omschreven taak.