Een eigenschap van een materiaal is iets wat we erover te weten kunnen komen door te kijken, te voelen of te testen: is het hard of zacht? Kunnen we erdoorheen kijken? Trekt een magneet het aan? Blijft het op water drijven of zinkt het?
Voorbeelden
Voorbeeld 1.9 (Hard en zacht)
Een kiezel is hard: als je er met je duim op drukt, blijft er geen deukje achter. Een wollen sjaal is zacht: hij buigt en vouwt in je hand. Hout, metaal, glas en steen zijn hard; textiel en papier zijn zacht en buigen makkelijk.
Voorbeeld 1.10 (Erdoorheen kijken)
Door een raam zien we de tuin: glas laat licht door, we zeggen dat het doorzichtig is. Door een houten deur, een bakstenen muur of een metalen pan kunnen we niet kijken. Sommige soorten plastic zijn doorzichtig, zoals een waterfles; andere niet, zoals een rood speelgoedblokje.
Voorbeeld 1.11 (Aangetrokken door een magneet)
Een magneet trekt een stalen paperclip, een stalen spijker of een ijzeren sleutel naar zich toe. Hout, glas, plastic, papier, textiel en steen trekt hij niet aan. En, gek genoeg, ook niet elk metaal: een blikje van aluminium en een koperdraad blijven gewoon liggen. Een magneet trekt voorwerpen van ijzer aan, en van staal, dat vooral uit ijzer bestaat.