Bij filtreren giet je een mengsel door een filter: een vel papier, een doek of een laag zand met gaatjes die te klein zijn om de vaste stukjes door te laten. De vaste stof blijft op het filter liggen; de heldere vloeistof die erdoorheen gaat, heet het filtraat.
Voorbeelden
Voorbeeld 3.10 (Zand, zout en water)
In een pot zit water met zand en zout erin. Het zout is opgelost, het zand niet.
- Filtreer: het zand blijft op het papier.
- Het filtraat is helder, maar het is zout water. Damp het in: het zout blijft in het schaaltje.
Twee methoden, de ene na de andere, geven het zand en het zout terug.