is de larmorfrequentie van de kern: de resonantiefrequentie, en ook de frequentie waarmee zijn magnetisch moment om het veld precedeert.
Voorbeelden
Voorbeeld 8.4 (De gangbare kernen)
Voor een kern met spin en moment is . Met de gemeten momenten: , , , , . Een “spectrometer van ” heeft : zijn protonen resoneren bij , zijn koolstofkernen bij .
Voorbeeld 8.22 (Een MRI-beeld)
Bij beeldvorming met magnetische resonantie maakt een veldgradiënt de larmorfrequentie van de waterprotonen afhankelijk van de positie, zodat de fouriergetransformeerde van het signaal een kaart is van waar ze zich bevinden. Het contrast komt van de relaxatie: de herhalingstijd en de echotijden worden gekozen om het beeld te wegen naar of naar , die van weefsel tot weefsel verschillen; contrastmiddelen met gadolinium verkorten de van het water in hun buurt (Hoofdstuk 24).