Een molecuul is een polair molecuul als het zwaartepunt van zijn positieve partiële ladingen en dat van zijn negatieve partiële ladingen niet samenvallen; vallen ze samen, dan is het een apolair molecuul.
Voorbeelden
Voorbeeld 30.7 (Vier moleculen)
Waterstofchloride heeft één polaire binding en is polair, met chloor . Ammoniak , een piramide van drie polaire -bindingen, is polair, met stikstof . Methaan heeft alleen bijna apolaire -bindingen: apolair. Tetrachloormethaan heeft vier polaire -bindingen, maar op de hoekpunten van een regelmatige tetraëder: hun effecten heffen elkaar op en het molecuul is apolair.