Kernsplijting is het uiteenvallen van een zware kern in twee middelgrote brokstukken. Uranium-235 is splijtbaar: een traag neutron dat wordt opgenomen, laat de kern zo opgewonden achter dat ze in tweeën scheurt en daarbij twee of drie verse neutronen uitspuwt — 01n+92235U→twee brokstukken+2–301n, met een paar dat van splijting tot splijting wisselt.
Voorbeelden
Voorbeeld 33.12 (Eén splijting, gewogen)
Eén veelvoorkomende route, volgens Methode 33.7:
01n+92235U⟶3894Sr+54140Xe+201n.
Ervóór: 1.00866+234.99350=236.00216u. Erna: 93.89450+139.89200+2×1.00866=235.80382u. Dus is Δm=0.19834u en E≈185MeV; tel je de latere vervallen van de radioactieve brokstukken mee (Hoofdstuk 32), dan is elke kernsplijting ongeveer 200MeV waard — terwijl één atoom steenkool voor enkele eV te koop is.
Voorbeeld 33.17 (D–T, gewogen)
Ervóór: 2.01355+3.01550=5.02905u; erna: 4.00151+1.00866=5.01017u; dus Δm=0.01888u en E≈17.6MeV, waarvan vier vijfde op het neutron — minder dan een kernsplijting, maar uit vijf nucleonen in plaats van 236: ongeveer 3.4×1014J per kilogram brandstof, vier keer de splijting. Helium-4 (Voorbeeld 33.6) is opnieuw de as.
Voorbeeld 33.21 (De energieladder, per kilogram)
Energie per kilogram brandstof: steenkool, 3.0×107J; uranium-235 door kernsplijting, 8.2×1013J; deuterium–tritium door kernfusie, 3.4×1014J; volledige omzetting (E=mc2), 9.0×1016J. Zes ordegrootten scheiden de chemie van de kern — de reden dat een reactor per vrachtwagen wordt bevoorraad en een kolencentrale per goederentrein.