Een natuurkundige grootheid is een eigenschap van de wereld die je kunt meten: een lengte, een duur, een massa. Meten is tellen hoe vaak een referentiegrootheid — de eenheid — erin past. Het Internationaal Stelsel van Eenheden (SI) legt zeven basiseenheden vast; drie ervan lopen door dit hele boek heen: de meter () voor lengte, de kilogram () voor massa en de seconde () voor tijd. (De vier andere — ampère, kelvin, mol, candela — komen erbij zodra elektriciteit, warmte en stofhoeveelheid in het verhaal stappen.)
Voorbeelden
Voorbeeld 1.4 (Voorvoegsels lezen)
Groen licht heeft een golflengte van ongeveer ; een mensenhaar is ongeveer dik; de Maan draait op om de Aarde. Een regendruppel heeft een massa van ongeveer — merk op dat de basiseenheid van massa als enige van de zeven zelf al een voorvoegsel draagt.
Voorbeeld 1.10 (De omtrek van de Aarde)
De diameter van de Aarde is (drie significante cijfers), dus haar omtrek is — drie cijfers, niet de acht die de rekenmachine toont. Wie opschrijft, beweert de planeet op de meter nauwkeurig te kennen.