Een aanpassing is een kenmerk van het lichaam of het gedrag van een levend wezen dat het geschikt maakt voor de omstandigheden van zijn leefomgeving — voor de kou of de droogte, voor zijn voedsel, voor zijn jagers. Propositie 11.4 liet dieren zien die bij hun leefgebied passen; aanpassing is dat passen, stuk voor stuk bekeken.
Voorbeelden
Voorbeeld 28.2 (De kameel, stuk voor stuk)
De problemen van de woestijn: hitte, geen water, zacht zand. De antwoorden van de kameel: bulten vet — een voedselvoorraad voor magere tochten; het vermogen om in minuten honderd liter te drinken en dan dagen zonder te kunnen; brede tweetenige voeten die niet in het zand wegzakken; neusgaten die zich tegen opwaaiend stof sluiten en lange dubbele wimpers erbij. Elk woestijnprobleem, beantwoord met een kenmerk.
Voorbeeld 28.3 (De ijsbeer, stuk voor stuk)
De problemen van het pakijs: kou, ijskoud water, prooi die op wit ijs moeilijk te benaderen is. De antwoorden van de beer: dikke vacht boven een diepe laag vet — dubbele isolatie; brede, licht van zwemvliezen voorziene poten — sneeuwschoenen en peddels in één; een witte vacht — onzichtbaar tegen de sneeuw waarop hij jaagt. Dezelfde nauwkeurigheid, afgestemd op de tegenovergestelde wereld.