Bestuiving is de overdracht van stuifmeel van een helmknop naar een stempel; zelfbestuiving binnen één bloem of plant, kruisbestuiving tussen planten. Windbestoven bloemen (grassen, eiken, berken, weegbree) zijn klein, groen en geurloos, met grote veervormige stempels en enorme hoeveelheden glad, droog stuifmeel; hun verhouding van stuifmeel tot zaadbeginsels loopt op tot een miljoen. Door dieren bestoven bloemen betalen hun drager: nectar (suikeroplossing uit nectariën), het stuifmeel zelf, oliën, geur; en ze maken reclame met kleur, vorm en geur die zijn afgestemd op de zintuigen van de drager — ultraviolette nectarwijzers voor bijen, die ultraviolet zien en geen rood; rode buisvormige bloemen zonder geur voor kolibries; witte, sterk geurende, ’s nachts opengaande bloemen met diepe buizen voor nachtvlinders; bruine, stinkende bloemen voor aasvliegen; stevige, bleke nachtbloemen voor vleermuizen. Elk zo’n geheel van kenmerken is een bestuivingssyndroom, en de pasvorm tussen bloem en bestuiver is het schoolvoorbeeld van co-evolutie: Darwin voorspelde uit de nectarspoor van van een orchidee uit Madagaskar een nachtvlinder met een tong van , die veertig jaar later werd gevonden.