Het netvlies is een blad brein achter in het oog, drie lagen cellen met de fotoreceptoren, paradoxaal genoeg, achteraan, tegen het pigmentepitheel. Staafjes — per oog, één pigment, rodopsine — dienen het schemerlicht en raken in daglicht verzadigd; kegeltjes — , drie pigmenten met pieken in het blauw, het groen en het rood, opeengepakt in de fovea — dienen het daglicht, de kleur en de scherpte. Fototransductie is een cascade: een foton isomeriseert de retinale chromofoor van één rodopsine; het geactiveerde rodopsine zet honderden moleculen van het G-eiwit transducine aan, die elk een fosfodi-esterase activeren dat cyclisch GMP afbreekt; de daling van cGMP sluit de kationkanalen die het cGMP in het donker openhield, de inwaartse “donkerstroom” stopt, en de cel hyperpolariseert — licht zet een fotoreceptor uit, en zij geeft minder glutamaat af. In het donker is de cel gedepolariseerd en geeft zij onophoudelijk af. Het signaal gaat door naar bipolaire cellen (van het ON- en het OFF-type, die het omkeren of behouden) en verder naar de ganglioncellen, een miljoen per oog, wier axonen de oogzenuw vormen — een honderdvoudige compressie. Horizontale cellen en amacriene cellen verbinden zijdelings, en hun remming geeft elke ganglioncel een receptief veld van het type centrum–omgeving: geprikkeld door licht in een centrale schijf en geremd door licht in de ring eromheen (of omgekeerd), zodat het netvlies plaatselijk contrast en randen meldt in plaats van de absolute hoeveelheid licht.