Een nucleotide bestaat uit drie delen: een stikstofhoudende base — een purine (adenine A, guanine G: twee gefuseerde ringen) of een pyrimidine (cytosine C, thymine T, uracil U: één ring); een suiker met vijf koolstoffen, ribose in RNA of 2′-deoxyribose in DNA (zonder de hydroxylgroep op koolstof 2′); en een tot drie fosfaatgroepen op koolstof 5′ van de suiker. De base zit vast aan koolstof 1′; de koolstoffen van de suiker worden met accenttekens genummerd om ze van die van de base te onderscheiden. Base plus suiker is een nucleoside (adenosine, guanosine, cytidine, thymidine, uridine); met fosfaten is het een nucleotide (AMP, ADP, ATP en hun verwanten).
Voorbeelden
Voorbeeld 11.4 (RNA is breekbaar, DNA is duurzaam)
De 2′-hydroxylgroep van ribose kan de naburige fosfodiesterbinding aanvallen: in mild alkalisch milieu is RNA binnen enkele uren tot nucleotiden gehydrolyseerd, terwijl DNA, dat die hydroxylgroep mist, koken in loog overleeft en intact is teruggewonnen uit botten van tienduizenden jaren oud. Uracil in RNA is thymine zonder methylgroep; DNA gebruikt thymine opdat cytosine, dat langzaam zijn aminogroep verliest en uracil wordt, als beschadigd kan worden herkend en hersteld — een uracil in DNA is altijd een fout.
Voorbeeld 11.7 (Een streng lezen)
Als de ene streng 5′-ATGGCATTC-3′ luidt, dan is haar partner, 5′→3′ geschreven, 5′-GAATGCCAT-3′: neem van elke base de complementaire en keer dan de volgorde om. Negen paren, 3.1nm helix, tweeëntwintig waterstofbruggen (vijf G–C, vier A–T). Een menselijk chromosoom van 2.5×108 paren is in deze vorm 8.5cm lang en moet honderdduizend keer worden opgevouwen om in een kern te passen (Hoofdstuk 17).
Voorbeeld 11.11 (Een probe vindt een gen)
Een probe van twintig nucleotiden die complementair is aan één gen bindt, bij 5∘C onder haar eigen Tm, haar exacte complement en niets anders in drie miljard basenparen: één mismatch op twintig verlaagt Tm met enkele graden en de mismatchende hybride smelt. De specificiteit van de basenparing, over twintig posities vermenigvuldigd, is waar elke DNA-test op steunt, van vaderschap tot het opsporen van ziekteverwekkers.