Een organisme is een levend individu: een begrensd, zichzelf onderhoudend, zichzelf voortplantend systeem, opgebouwd uit één cel of uit vele cellen met een gemeenschappelijke oorsprong en een gemeenschappelijke werking. Het is een open systeem: materie en energie passeren voortdurend zijn grens, en het blijft alleen in leven zolang zij dat doen. De omgeving van een organisme is alles buiten die grens dat ermee uitwisselt — het fysische midden (lucht, water, bodem, licht, temperatuur) en de andere organismen.
Voorbeelden
Voorbeeld 1.19 (Hetzelfde uur, twee balansen)
In het uur van de opening zette het konijn gras om in warmte, beweging en een beetje groei, terwijl het zijn bloed op en zijn glucose rond hield; het deed dat door zich naar het voedsel te verplaatsen. De eik zette enkele honderden kilojoules van het zonlicht op zijn kroon om in suiker, verloor daarbij water via zijn bladeren, en groeide enkele micrometers nieuw hout; hij deed dat door te staan waar het licht en het water waren. Beide zijn open systemen; beide houden zichzelf gaande door uit te wisselen; de vormen van hun uitwisselingen zijn de vormen van hun leven.