Water dissocieert een klein beetje, H2O⇌H++OH−, met [H+][OH−]=Kw=10−14mol2/L2 bij 25∘C. De pH is −log10[H+]: 7 voor zuiver water, lager voor zuren, hoger voor basen. Een zuur HA staat een proton af, HA⇌H++A−, met dissociatieconstante Ka=[H+][A−]/[HA] en pKa =−log10Ka; zijn geconjugeerde base A− neemt er een op. Een sterk zuur (HCl) is volledig gedissocieerd; de zuren van de cel (carbonzuren, fosfaten, ammonium) zijn zwak, met een pKa tussen 2 en 10.
Voorbeelden
Voorbeeld 8.6 (Een dubbele helix smelten)
De twee strengen van DNA worden bijeengehouden door twee of drie waterstofbruggen per basenpaar plus de stapeling (vanderwaals) van naburige paren; één paar zou meteen loslaten, maar duizend paren op een rij houden stand tot de temperatuur ongeveer 90∘C bereikt, en komen bij afkoeling weer samen, precies in hetzelfde register (Hoofdstuk 11). Specifiek, sterk in aantal, omkeerbaar.
Voorbeeld 8.11 (Bloed)
Slagaderlijk bloed bevat 24mmol/L bicarbonaat en opgelost CO2 bij 1.2mmol/L (door de longen bepaald): pH=6.1+log(24/1.2)=6.1+1.30=7.4. Het toevoegen van 5mmol/L zuur zet 5mmol/L bicarbonaat om in CO2; blazen de longen dat CO2 weg en houden zij de opgeloste waarde vast, dan wordt de pH 6.1+log(19/1.2)=7.30; in een gesloten kolf zou het CO2 tot 6.2mmol/L stijgen en de pH tot 6.1+log(19/6.2)=6.59 dalen. De longen maken het verschil.