Een cel is het kleinste levende bouwsteentje van een levend wezen. Bijna alle cellen zijn veel te klein om met het blote oog te zien; een lichaam is eruit opgebouwd zoals een muur uit bakstenen. Jouw eigen lichaam bestaat uit tienduizenden miljarden cellen.
Voorbeelden
Voorbeeld 29.3 (Hoe klein is klein?)
Een gewone cel van jouw lichaam meet ongeveer een vijftigste millimeter. Zet er op een rij en ze beslaan één millimeter — een potloodstip zou de hele optocht bedekken. Daarom heeft niemand het grootste deel van de menselijke geschiedenis iets van cellen vermoed: de bouwstenen van het leven zijn kleiner dan het kleinste stipje dat het oog kan zien.
Voorbeeld 29.5 (Twee klassiekers onder de lens)
Twee waarnemingen die elke schoolmicroscoop kan herhalen: een velletje van het dunne vlies in een ui laat nette rijen baksteenachtige cellen zien, wand tegen wand; een voorzichtig schraapsel van de binnenkant van een wang laat verspreide, rondere cellen zien — de jouwe. Plant en dier, naast elkaar, allebei uit cellen.
Voorbeeld 29.8 (Van één tot biljoenen)
De bevruchte eicel deelt zich in cellen, dan , , … Herhaalde deling heeft in de loop van maanden en jaren de tienduizenden miljarden cellen gebouwd die deze zin lezen. Elke cel van jou stamt van die eerste af.

