Een cel waarvan het DNA in een celkern besloten ligt, is een eukaryote cel: dieren, planten, schimmels en veel eencellige organismen zijn eukaryoten. Een prokaryote cel heeft geen celkern en geen door membranen omsloten organellen: haar DNA ligt vrij in het cytoplasma, haar grootte ligt rond , en zij is omgeven door een wand van eigen aard. Bacteriën zijn prokaryoten.
Voorbeelden
Voorbeeld 2.10 (Een bacterie lezen)
Een elektronenopname van de darmbacterie Escherichia coli toont een staafje van lang en breed: een wand, een membraan er vlak binnen, een korrelig cytoplasma volgestouwd met ribosomen, en een bleker middengebied waar het enige ringvormige DNA-molecuul ligt. Geen celkern, geen mitochondriën. Toch eet, groeit en deelt de cel zich elke twintig minuten in een rijke voedingsbodem: alles wat de celtheorie eist, in een duizendste van het volume van een wangcel.