Een organel is een structuur binnen in een cel, omsloten door een eigen membraan, die een bepaalde taak uitvoert. De belangrijkste zijn:
- de celkern, die de chromosomen bevat — het DNA van Hoofdstuk 3 — en de werking van de cel bestuurt;
- de mitochondriën, zo’n lang, waar organische moleculen met zuurstof worden afgebroken om bruikbare energie vrij te maken (de celademhaling, Hoofdstuk 4);
- in plantencellen de bladgroenkorrels, groen door bladgroen, waar de fotosynthese plaatsvindt, en een grote met water gevulde vacuole die de cel strak houdt.
Buiten het membraan zit een plantencel opgesloten in een stevige celwand van cellulose; dierlijke cellen hebben er geen. Het cytoplasma van elke cel bevat daarnaast miljoenen ribosomen, deeltjes van ongeveer die eiwitten in elkaar zetten en alleen met de elektronenmicroscoop zichtbaar zijn.
Voorbeelden
Voorbeeld 2.7 (Wangcellen)
Een wangcel die breed getekend is van een beeld bij meet in de breedte, en haar celkern, getekend, ongeveer . Een rode bloedcel meet ; de bacteriën van de mond, lang, verschijnen bij dezelfde vergroting als nauwelijks te onderscheiden stipjes.
Voorbeeld 2.10 (Een bacterie lezen)
Een elektronenopname van de darmbacterie Escherichia coli toont een staafje van lang en breed: een wand, een membraan er vlak binnen, een korrelig cytoplasma volgestouwd met ribosomen, en een bleker middengebied waar het enige ringvormige DNA-molecuul ligt. Geen celkern, geen mitochondriën. Toch eet, groeit en deelt de cel zich elke twintig minuten in een rijke voedingsbodem: alles wat de celtheorie eist, in een duizendste van het volume van een wangcel.