Een vaste stof lost op in water wanneer hij, door het water geroerd, uit het zicht verdwijnt en de vloeistof helder laat, dat wil zeggen doorzichtig. Suiker en zout lossen op in water. De heldere vloeistof die we zo krijgen, heet een oplossing: suikerwater is een oplossing van suiker, zout water een oplossing van zout.
Voorbeelden
Voorbeeld 2.6 (Een suikerklontje in een glas water)
Een suikerklontje ligt op de bodem van een glas stilstaand water. De hoekjes worden zacht, het klontje wordt kleiner, en er stijgen golvende slierten van op door het water. Roeren we, dan is het binnen een minuut weg. Roeren we niet, dan verdwijnt het ook, alleen veel langzamer.