Zij een niet-lege eindige of aftelbare verzameling (de uitkomstenruimte). Een kansmaat op is een afbeelding van de verzameling van alle deelverzamelingen van (gebeurtenissen) naar zodanig dat:
- ;
(-additiviteit) voor elke rij paarsgewijs disjuncte gebeurtenissen geldt
Het paar is een (aftelbare) kansruimte.
Voorbeelden
Voorbeeld 21.5 (Meetkundig model: wachten op de eerste kop)
Werp herhaaldelijk met een munt met kanskop , en laat de rang van de eerste kop registreren. De natuurlijke gewichten zijn
een kansmaat omdat : met kans eindigt het spel — maar de uitkomstenruimte moet toch de mogelijkheid bevatten dat het niet eindigt. De aftelbare additiviteit is wat ons toelaat te beweren dat .
Voorbeeld 21.8 (De somgrens: ruw maar onverwoestbaar)
De subadditiviteit met eindig veel gebeurtenissen — de somgrens — ruilt nauwkeurigheid in voor universaliteit. Voor het verjaardagsprobleem met mensen geeft de kans op een botsing begrenzen door de som over de paren
tegenover de werkelijke : er ruim naast, omdat botsingen elkaar overlappen. Toch heeft de grens geen onafhankelijkheid nodig, geen gezamenlijke verdeling, niets dan de kansen op de paren — en daarom is in de weekendopgave en overal in Hoofdstuk 22 de somgrens het eerst getrokken wapen: blijkt zij klein te zijn, dan is de zaak beslecht zonder verdere modellering.
Voorbeeld 21.9 (Een zes komt, uiteindelijk)
Gooi eeuwig met een eerlijke dobbelsteen en zij “minstens één zes onder de eerste worpen”, een stijgende rij gebeurtenissen met . De monotone continuïteit geeft
Het punt is niet de (voor de hand liggende) limiet maar de logische stap: “uiteindelijk” is een gebeurtenis over oneindig veel worpen, buiten het bereik van de eindige additiviteit, en de monotone continuïteit — dat wil zeggen de -additiviteit — is precies het axioma dat er een kans aan toekent. Elke uitspraak “bijna zeker” in de rest van dit boek gaat door deze ene smalle deur.