Een uitspraak (of propositie) is een zin die waar (W) of onwaar (O) is — precies één van beide. Uit twee uitspraken en vormen we:
- de negatie (“niet ”), waar precies wanneer onwaar is;
- de conjunctie (“ en ”), waar precies wanneer beide waar zijn;
- de disjunctie (“ of ”), waar precies wanneer minstens één van beide waar is (deze “of” is inclusief);
- de implicatie , onwaar precies wanneer waar is en onwaar;
- de equivalentie , waar precies wanneer en dezelfde waarheidswaarde hebben.
Voorbeelden
Voorbeeld 1.6 (Alledaagse wiskundige zinnen ontkennen)
Zij . De zin “ is stijgend” luidt
en haar negatie is, volgens Propositie 1.5 samen met de regel :
één getuigend paar volstaat. Evenzo is “ is begrensd” de uitspraak , met negatie
welke grens ook wordt voorgesteld, er is een punt dat haar overtreft. Het inzicht: een correcte negatie bevat nooit een “niet” vóór een blok kwantoren — ze is een nieuwe, positieve uitspraak waarin de rollen omgedraaid zijn: je levert nu de getuigen die je eerst kreeg aangereikt.
Voorbeeld 1.7 (Volgorde van de kwantoren)
De volgorde van verschillende kwantoren doet ertoe:
In de eerste uitspraak mag van afhangen; in de tweede moet één enkele het voor alle doen. Twee gelijke kwantoren mogen daarentegen altijd van plaats wisselen.
Voorbeeld 1.13 (Uniek bestaan bewijzen)
Een uitspraak bestaat uit twee uitspraken, die apart bewezen worden: het bestaan (wijs een met aan of construeer er een) en de uniciteit (neem en aan en leid af). Een voorbeeld: er is precies één reëel getal met . Bestaan: voldoet, want . Uniciteit: uit volgt
en de tweede factor is positief (hij is gelijk aan ), zodat . Let op de werkverdeling: het bestaan berustte op een gelukkige gok, de uniciteit op algebra die geldt voor willekeurige oplossingen — geen van beide argumenten doet het werk van het andere, en de tweede helft vergeten blijft een blijvende verleiding zodra één oplossing gevonden is.