Mathematics · Boek 3 · Bachelor Year 1

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 1

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 1 · Bachelor Year 1

1Logica, verzamelingen en afbeeldingen

Tot nu toe steunden bewijzen op een informeel, maar eerlijk gevoel voor wat “bewijzen” inhoudt. Dit eerste hoofdstuk van de universitaire wiskunde legt de spelregels vast: wat een wiskundige uitspraak is, hoe connectieven en kwantoren uitspraken aan elkaar knopen, welke zetten in een bewijs geoorloofd zijn — en bouwt op dat fundament de twee universele talen van de wiskunde: verzamelingen en afbeeldingen.

1.1 Uitspraken en connectieven

Definitie 1.1 (Uitspraak, connectieven)

Een uitspraak (of propositie) is een zin die waar (W) of onwaar (O) is — precies één van beide. Uit twee uitspraken PP en QQ vormen we:

  • de negatie ¬P\lnot P (“niet PP”), waar precies wanneer PP onwaar is;
  • de conjunctie PQP \land Q (“PP en QQ”), waar precies wanneer beide waar zijn;
  • de disjunctie PQP \lor Q (“PP of QQ”), waar precies wanneer minstens één van beide waar is (deze “of” is inclusief);
  • de implicatie P    QP \implies Q, onwaar precies wanneer PP waar is en QQ onwaar;
  • de equivalentie P    QP \iff Q, waar precies wanneer PP en QQ dezelfde waarheidswaarde hebben.

Opmerking 1.2

Bij de waarheidstabel van P    QP \implies Q loont het even stil te staan: zodra PP onwaar is, is P    QP \implies Q waar, wat QQ ook is. “Als 2<12 < 1, dan 0=50 = 5” is een ware implicatie. Een implicatie beweert niets over het geval waarin haar hypothese niet opgaat.

Propositie 1.3 (Rekenregels voor uitspraken)

Voor alle uitspraken PP, QQ, RR geldt:

  1. ¬(¬P)    P\lnot(\lnot P) \iff P;
  2. de wetten van De Morgan: ¬(PQ)    (¬P)(¬Q)\lnot(P \land Q) \iff (\lnot P) \lor (\lnot Q) en ¬(PQ)    (¬P)(¬Q)\lnot(P \lor Q) \iff (\lnot P) \land (\lnot Q);
  3. (P    Q)    ((¬P)Q)(P \implies Q) \iff \bigl((\lnot P) \lor Q\bigr), en dus ¬(P    Q)    P(¬Q)\lnot(P \implies Q) \iff P \land (\lnot Q);
  4. contrapositie: (P    Q)    ((¬Q)    (¬P))(P \implies Q) \iff \bigl((\lnot Q) \implies (\lnot P)\bigr);
  5. (P    Q)    ((P    Q)(Q    P))(P \iff Q) \iff \bigl((P \implies Q) \land (Q \implies P)\bigr);
  6. distributiviteit: P(QR)    (PQ)(PR)P \land (Q \lor R) \iff (P \land Q) \lor (P \land R) en P(QR)    (PQ)(PR)P \lor (Q \land R) \iff (P \lor Q) \land (P \lor R).

Bewijs. Elke equivalentie controleer je door waarheidstabellen te vergelijken: twee samengestelde uitspraken in PP, QQ, RR zijn equivalent precies wanneer ze in elk van de (vier of acht) gevallen dezelfde waarheidswaarde aannemen. We schrijven één tabel volledig uit, voor de eerste wet van De Morgan:

PPQQPQP \land Q¬(PQ)\lnot(P \land Q)¬P\lnot P¬Q\lnot Q(¬P)(¬Q)(\lnot P) \lor (\lnot Q)
WWWOOOO
WOOWOWW
OWOWWOW
OOOWWWW

Kolom 44 en kolom 77 vallen samen, en dat bewijst de wet. Voor de contrapositie gaat het sneller met woorden: P    QP \implies Q is onwaar precies in het geval (PP waar, QQ onwaar), en (¬Q)    (¬P)(\lnot Q) \implies (\lnot P) is onwaar precies in het geval (¬Q\lnot Q waar, ¬P\lnot P onwaar), oftewel (QQ onwaar, PP waar) — hetzelfde enige geval, dus hebben beide implicaties identieke tabellen. De overige regels gaan net zo. Merk op dat (3) elke implicatie herleidt tot een disjunctie, zodat (2) er werktuiglijk de negatieregel ¬(P    Q)    P(¬Q)\lnot(P \implies Q) \iff P \land (\lnot Q) uit maakt: wie een implicatie wil weerleggen, moet een geval aanwijzen waarin de hypothese geldt en de conclusie faalt.

1.2 Kwantoren

Definitie 1.4 (Kwantoren)

Zij P(x)P(x) een eigenschap van een element xx van een verzameling EE.

  • xE, P(x)\forall x \in E,\ P(x) (“voor alle xx in EE geldt P(x)P(x)”) is waar wanneer elk element van EE aan PP voldoet;
  • xE, P(x)\exists x \in E,\ P(x) (“er bestaat een xx in EE zodat P(x)P(x)”) is waar wanneer minstens één element van EE aan PP voldoet.

We schrijven !\exists! voor “er bestaat precies één”.

Propositie 1.5 (Negatie van kwantoren)

¬(xE, P(x))    xE, ¬P(x),¬(xE, P(x))    xE, ¬P(x).\lnot\bigl(\forall x \in E,\ P(x)\bigr) \iff \exists x \in E,\ \lnot P(x), \qquad \lnot\bigl(\exists x \in E,\ P(x)\bigr) \iff \forall x \in E,\ \lnot P(x).

Bewijs. We bewijzen de eerste equivalentie in beide richtingen; de tweede gaat symmetrisch. Is xE, P(x)\forall x \in E,\ P(x) onwaar, dan voldoet niet elk element aan PP: de verzameling A={xE:¬P(x)}A = \{x \in E : \lnot P(x)\} kan niet leeg zijn, en elk van haar elementen getuigt van xE, ¬P(x)\exists x \in E,\ \lnot P(x). Omgekeerd, als een zekere x0Ex_0 \in E voldoet aan ¬P(x0)\lnot P(x_0), dan is x0x_0 een tegenvoorbeeld en faalt de universele uitspraak. Voor de tweede regel: “geen enkele xx voldoet aan PP” zegt dat de verzameling {x:P(x)}\{x : P(x)\} leeg is, dat wil zeggen dat elke xx in haar complement AA ligt. Passen we beide regels in cascade toe op een rij geneste kwantoren, dan krijgen we de mechanische procedure van Voorbeeld 1.8: de negatie loopt van links naar rechts, verwisselt elke \forall met \exists en elke \exists met \forall, en ontkent ten slotte het binnenste predicaat.

Voorbeeld 1.6 (Alledaagse wiskundige zinnen ontkennen)

Zij f ⁣:RRf \colon \R \to \R. De zin “ff is stijgend” luidt

xR, yR,xy    f(x)f(y),\forall x \in \R,\ \forall y \in \R,\quad x \leq y \implies f(x) \leq f(y) ,

en haar negatie is, volgens Propositie 1.5 samen met de regel ¬(P    Q)    P¬Q\lnot(P \implies Q) \iff P \land \lnot Q:

xR, yR,xy  en  f(x)>f(y):\exists x \in \R,\ \exists y \in \R,\quad x \leq y \ \text{ en }\ f(x) > f(y) :

één getuigend paar volstaat. Evenzo is “ff is begrensd” de uitspraak MR, xR, f(x)M\exists M \in \R,\ \forall x \in \R,\ \abs{f(x)} \leq M, met negatie

MR, xR,f(x)>M:\forall M \in \R,\ \exists x \in \R,\quad \abs{f(x)} > M :

welke grens ook wordt voorgesteld, er is een punt dat haar overtreft. Het inzicht: een correcte negatie bevat nooit een “niet” vóór een blok kwantoren — ze is een nieuwe, positieve uitspraak waarin de rollen omgedraaid zijn: je levert nu de getuigen die je eerst kreeg aangereikt.

Voorbeeld 1.7 (Volgorde van de kwantoren)

De volgorde van verschillende kwantoren doet ertoe:

xR, yR, y>xis waar (neem y=x+1),\forall x \in \R,\ \exists y \in \R,\ y > x \quad\text{is waar (neem } y = x+1\text{),}
yR, xR, y>xis onwaar (geen ree¨el getal overtreft alle ree¨le getallen).\exists y \in \R,\ \forall x \in \R,\ y > x \quad\text{is onwaar (geen reëel getal overtreft alle reële getallen).}

In de eerste uitspraak mag yy van xx afhangen; in de tweede moet één enkele yy het voor alle xx doen. Twee gelijke kwantoren mogen daarentegen altijd van plaats wisselen.

Voorbeeld 1.8 (Een definitie met drie kwantoren lezen)

De zin “de rij (un)(u_n) convergeert naar \ell” wordt in Hoofdstuk 11 geschreven als

ε>0, NN, nN,unε.\forall \varepsilon > 0,\ \exists N \in \N,\ \forall n \geq N,\quad \abs{u_n - \ell} \leq \varepsilon .

Haar negatie luidt, na driemaal Propositie 1.5,

ε>0, NN, nN,un>ε.\exists \varepsilon > 0,\ \forall N \in \N,\ \exists n \geq N,\quad \abs{u_n - \ell} > \varepsilon .

Zulke zinnen werktuiglijk kunnen ontkennen, zonder na te denken over wat ze betekenen, is een vaardigheid op zich: ze scheidt het logische werk van het wiskundige.

1.3 Bewijstechnieken

Methode 1.9 (De standaardpatronen van een bewijs)

Om te bewijzen…

  1. een implicatie P    QP \implies Q rechtstreeks: neem PP aan, leid QQ af;
  2. via contrapositie: neem ¬Q\lnot Q aan, leid ¬P\lnot P af — geldig volgens Propositie 1.3 (4);
  3. uit het ongerijmde: neem aan dat de uitspraak onwaar is en leid een tegenspraak af;
  4. een equivalentie: bewijs beide implicaties apart (of rijg bekende equivalenties aaneen);
  5. een “voor alle”-uitspraak: kies een willekeurige xx in EE (“zij xEx \in E”) en bewijs P(x)P(x);
  6. een “er bestaat”-uitspraak: wijs een getuige aan, of bewijs het bestaan langs een omweg;
  7. met inductie: zie Stelling 1.12.

Bewijs je iets over een goedgekozen maar willekeurig element, geef dat element dan nooit extra eigenschappen: “zij xRx \in \R” gevolgd door “omdat x>0x > 0…” bewijst niets over negatieve xx.

Opmerking 1.10 (Veelgemaakte fouten in bewijzen)

Vier klassieke valkuilen, die het verdienen één keer bij naam genoemd te worden.

  1. Omkering in plaats van contrapositie. Q    PQ \implies P is niet equivalent met P    QP \implies Q; alleen ¬Q    ¬P\lnot Q \implies \lnot P is dat. “Als het regent, is de straat nat” geeft je niet het recht uit een natte straat regen te besluiten.
  2. Een equivalentie met één implicatie bewijzen. Een “dan en slechts dan”-bewering is twee stellingen; zeg welke richting je bewijst, en bewijs ze allebei. Een keten van     \iff is alleen geldig als elke schakel werkelijk omkeerbaar is — een vergelijking kwadrateren bijvoorbeeld is dat niet.
  3. Achterstevoren bewijzen. Vertrekken van de gewenste conclusie en daaruit iets waars afleiden bewijst niets (uit 1=1-1 = 1 volgt na kwadrateren het ware 1=11 = 1). Een berekening mag achterstevoren gevonden worden, maar ze moet voorwaarts opgeschreven worden, of met expliciete equivalenties.
  4. Vaste getuige tegenover willekeurig element. Voor x, P(x)\exists x,\ P(x) volstaat één slim gekozen xx; voor x, P(x)\forall x,\ P(x) moet de gekozen xx willekeurig blijven. Die twee door elkaar halen — een universele bewering op een voorbeeld nagaan — is de meest voorkomende fout in beginnerswerk.

Voorbeeld 1.11 (Contrapositie en ongerijmde aan het werk)

Voor nNn \in \N: is n2n^2 even, dan is nn even. Via contrapositie: is nn oneven, n=2k+1n = 2k+1, dan is n2=4k2+4k+1n^2 = 4k^2 + 4k + 1 oneven.

2\sqrt 2 is irrationaal. Uit het ongerijmde: stel 2=p/q\sqrt 2 = p/q met p,qNp, q \in \N^* en de breuk onvereenvoudigbaar. Dan is p2=2q2p^2 = 2q^2 even, dus is pp even (vorig punt), zeg p=2rp = 2r; dan is q2=2r2q^2 = 2r^2 even, dus is qq even — in tegenspraak met de onvereenvoudigbaarheid.

Stelling 1.12 (Inductie)

Zij P(n)P(n) een eigenschap van het gehele getal nn. Als

  1. P(0)P(0) waar is, en
  2. voor alle nNn \in \N geldt P(n)    P(n+1)P(n) \implies P(n+1),

dan is P(n)P(n) waar voor alle nNn \in \N.

Sterke inductie: dezelfde conclusie geldt wanneer (2) vervangen wordt door: voor alle nn geldt (P(0)P(n))    P(n+1)\bigl(P(0) \land \dots \land P(n)\bigr) \implies P(n+1).

Bewijs. Dit is een eigenschap van N\N zelf, equivalent met: elke niet-lege deelverzameling van N\N heeft een kleinste element (wat we als bekend aannemen). Stel immers dat (1) en (2) gelden en zet A={nN:P(n) onwaar}A = \{n \in \N : P(n) \text{ onwaar}\}. Is AA \neq \emptyset, dan heeft AA een kleinste element mm; wegens (1) is m0m \neq 0; dan is m1Am - 1 \notin A, dus geldt P(m1)P(m-1), en (2) levert P(m)P(m) — tegenspraak. Dus A=A = \emptyset. Voor sterke inductie werkt hetzelfde argument: P(0),,P(m1)P(0), \dots, P(m-1) gelden alle, omdat mm het kleinste element van AA is.

Voorbeeld 1.13 (Uniek bestaan bewijzen)

Een uitspraak !x, P(x)\exists!\,x,\ P(x) bestaat uit twee uitspraken, die apart bewezen worden: het bestaan (wijs een x0x_0 met P(x0)P(x_0) aan of construeer er een) en de uniciteit (neem P(x)P(x) en P(x)P(x') aan en leid x=xx = x' af). Een voorbeeld: er is precies één reëel getal xx met x3+x=2x^3 + x = 2. Bestaan: x0=1x_0 = 1 voldoet, want 1+1=21 + 1 = 2. Uniciteit: uit x3+x=x3+xx^3 + x = x'^3 + x' volgt

0=(x3x3)+(xx)=(xx)(x2+xx+x2+1),0 = (x^3 - x'^3) + (x - x') = (x - x')\,\bigl(x^2 + xx' + x'^2 + 1\bigr),

en de tweede factor is positief (hij is gelijk aan (x+x2)2+34x2+11\bigl(x + \tfrac{x'}2\bigr)^2 + \tfrac34 x'^2 + 1 \geq 1), zodat x=xx = x'. Let op de werkverdeling: het bestaan berustte op een gelukkige gok, de uniciteit op algebra die geldt voor willekeurige oplossingen — geen van beide argumenten doet het werk van het andere, en de tweede helft vergeten blijft een blijvende verleiding zodra één oplossing gevonden is.

Voorbeeld 1.14

Voor alle nNn \in \N^* geldt   k=1nk=n(n+1)2\;\sum_{k=1}^n k = \frac{n(n+1)}{2}. Basisgeval n=1n = 1: beide leden zijn 11. Stap: neem de formule aan voor nn, dan is

k=1n+1k=n(n+1)2+(n+1)=(n+1)(n2+1)=(n+1)(n+2)2.\sum_{k=1}^{n+1} k = \frac{n(n+1)}{2} + (n+1) = (n+1)\Bigl(\frac n2 + 1\Bigr) = \frac{(n+1)(n+2)}{2}. \qedhere

Voorbeeld 1.15 (Sterke inductie aan het werk)

Elk geheel getal n2n \geq 2 is een product van priemgetallen (een priemgetal is een geheel getal 2\geq 2 waarvan 11 en het getal zelf de enige delers 1\geq 1 zijn; priemgetallen worden om hun eigen wille bestudeerd in Hoofdstuk 6). Gewone inductie helpt hier niet: weten dat 95=5×1995 = 5 \times 19 ontbindt, zegt niets over 9696. Sterke inductie past precies. Basisgeval: 22 is priem, dus een product van priemgetallen met één factor. Stap: zij n2n \geq 2 en neem aan dat elk geheel getal mm met 2mn2 \leq m \leq n een product van priemgetallen is. Is n+1n + 1 priem, dan zijn we klaar. Zo niet, dan is n+1=abn + 1 = ab met 2a,bn2 \leq a, b \leq n; volgens de sterke hypothese zijn aa en bb producten van priemgetallen, en dus ook n+1n + 1. Het inzicht: sterke inductie is het juiste gereedschap zodra de “reden” voor P(n+1)P(n+1) op een onvoorspelbare eerdere rang ligt en niet op rang nn.

1.4 Verzamelingen

Definitie 1.16 (Bewerkingen met verzamelingen)

We nemen het begrip verzameling en de lidmaatschapsrelatie xEx \in E als primitief aan. Voor verzamelingen A,BA, B binnen een omvattende verzameling EE:

  • inclusie: ABA \subseteq B wanneer x, xA    xB\forall x,\ x \in A \implies x \in B; gelijkheid A=BA = B wanneer ABA \subseteq B en BAB \subseteq A;
  • de vereniging ABA \cup B, de doorsnede ABA \cap B, het verschil AB={xA:xB}A \setminus B = \{x \in A : x \notin B\}, het complement A=EA\overline{A} = E \setminus A;
  • de lege verzameling \emptyset, bevat in elke verzameling;
  • de machtsverzameling P(E)\mathcal{P}(E): de verzameling van alle deelverzamelingen van EE;
  • het product E×FE \times F: de verzameling van geordende paren (x,y)(x, y) met xEx \in E, yFy \in F.

Voorbeeld 1.17 (Wennen aan de machtsverzameling)

Voor E={a,b}E = \{a, b\} is

P(E)={, {a}, {b}, {a,b}},\mathcal P(E) = \bigl\{\, \emptyset,\ \{a\},\ \{b\},\ \{a, b\} \,\bigr\},

vier elementen — en let op de typediscipline: aEa \in E, maar {a}P(E)\{a\} \in \mathcal P(E); de uitspraken aP(E)a \in \mathcal P(E) en {a}P(E)\{a\} \subseteq \mathcal P(E) zijn zoals ze er staan allebei onwaar (de tweede zou vergen dat aa een deelverzameling van EE is). Iteratie vanuit het niets: P()={}\mathcal P(\emptyset) = \{\emptyset\} heeft één element, P(P())={,{}}\mathcal P(\mathcal P(\emptyset)) = \{\emptyset, \{\emptyset\}\} er twee, de volgende vier — verzamelingen van verzamelingen zijn gewone verzamelingen, en Hoofdstuk 2 zal het verdubbelingspatroon bevestigen: P(E)=2E\abs{\mathcal P(E)} = 2^{\abs E}. De niveaus (xx, {x}\{x\}, {{x}}\{\{x\}\}) uit elkaar houden is het halve werk bij oefeningen als Oefeningen 1.11 en 1.12.

Propositie 1.18 (Verzamelingenalgebra)

Voor deelverzamelingen A,B,CA, B, C van EE geldt:

  1. A(BC)=(AB)(AC)A \cap (B \cup C) = (A \cap B) \cup (A \cap C) en A(BC)=(AB)(AC)A \cup (B \cap C) = (A \cup B) \cap (A \cup C);
  2. De Morgan: AB=AB\overline{A \cup B} = \overline{A} \cap \overline{B} en AB=AB\overline{A \cap B} = \overline{A} \cup \overline{B};
  3. AB    BAA \subseteq B \iff \overline{B} \subseteq \overline{A}.

Bewijs. Elke identiteit vertaalt een regel uit Propositie 1.3 via het woordenboek (wel of niet A\in A) \leftrightarrow (uitspraak waar of onwaar): bijvoorbeeld xAB    ¬(xAxB)    (xA)(xB)    xABx \in \overline{A \cup B} \iff \lnot(x \in A \lor x \in B) \iff (x \notin A) \land (x \notin B) \iff x \in \overline{A} \cap \overline{B}. Punt (3) is contrapositie. Als tweede staaltje de eerste distributiviteitswet, volledig uitgeschreven:

xA(BC)    (xA)(xBxC)    (xAxB)(xAxC),x \in A \cap (B \cup C) \iff (x \in A) \land \bigl(x \in B \lor x \in C\bigr) \iff \bigl(x \in A \land x \in B\bigr) \lor \bigl(x \in A \land x \in C\bigr),

wegens de distributiviteit uit Propositie 1.3 (6), en de laatste uitspraak zegt x(AB)(AC)x \in (A \cap B) \cup (A \cap C). Elke verzamelingsidentiteit van dit type volgt uit diezelfde ene mechanische vertaling — en daarom hoeft er geen enkele uit het hoofd geleerd te worden.

Methode 1.19 (Gelijkheid van verzamelingen bewijzen)

Om A=BA = B te bewijzen, bewijs je de twee inclusies: zij xAx \in A, toon xBx \in B; zij vervolgens xBx \in B, toon xAx \in A. Als alternatief rijg je equivalenties aaneen, xA        xBx \in A \iff \dots \iff x \in B, mits elke stap werkelijk een equivalentie is.

De wetten van De Morgan in beeld: het gearceerde gebied links is A ∪ B = A ∩ B (alles buiten beide schijven); rechts is het A ∩ B = A ∪ B (alles behalve de lensvormige overlap). Een tekening is geen bewijs, maar ze maakt het elementsgewijze bewijs van  onvergetelijk.
De wetten van De Morgan in beeld: het gearceerde gebied links is AB=AB\overline{A \cup B} = \overline A \cap \overline B (alles buiten beide schijven); rechts is het AB=AB\overline{A \cap B} = \overline A \cup \overline B (alles behalve de lensvormige overlap). Een tekening is geen bewijs, maar ze maakt het elementsgewijze bewijs van Propositie 1.18 onvergetelijk.

1.5 Afbeeldingen

Definitie 1.20 (Afbeelding, beeld, origineel)

Een afbeelding (of functie) f ⁣:EFf \colon E \to F kent aan elk element xx van de verzameling EE (het domein) precies één element f(x)f(x) van de verzameling FF (het codomein) toe. Voor AEA \subseteq E en BFB \subseteq F zijn

f(A)={f(x):xA}F,f1(B)={xE:f(x)B}Ef(A) = \{f(x) : x \in A\} \subseteq F, \qquad f^{-1}(B) = \{x \in E : f(x) \in B\} \subseteq E

het beeld van AA en het origineel van BB. De samenstelling van f ⁣:EFf \colon E \to F en g ⁣:FGg \colon F \to G is gf ⁣:EGg \circ f \colon E \to G, xg(f(x))x \mapsto g(f(x)).

Opmerking 1.21

De notatie f1(B)f^{-1}(B) veronderstelt geen inverse afbeelding: f1(B)f^{-1}(B) is voor elke ff gedefinieerd. Originelen gedragen zich beter dan beelden: f1f^{-1} bewaart verenigingen, doorsneden en complementen, terwijl f(AA)f(A)f(A)f(A \cap A') \subseteq f(A) \cap f(A') strikt kan zijn (Oefening 1.8).

Voorbeeld 1.22 (Beelden en originelen berekenen)

Zij f ⁣:RRf \colon \R \to \R, xx2x \mapsto x^2. Dan is

f([1,2])=[0,4],f1([1,4])=[2,1][1,2],f1({1})=.f\bigl(\intcc{-1}{2}\bigr) = \intcc04, \qquad f^{-1}\bigl(\intcc14\bigr) = \intcc{-2}{-1} \cup \intcc12, \qquad f^{-1}(\{-1\}) = \emptyset .

Voor het eerste: elke x[1,2]x \in \intcc{-1}2 heeft x2[0,4]x^2 \in \intcc04, en elke y[0,4]y \in \intcc04 wordt bereikt als y=(y)2y = (\sqrt y)^2 met y[0,2][1,2]\sqrt y \in \intcc02 \subseteq \intcc{-1}2 — merk op dat het beeld niet [1,4]={(1)2,22}\intcc14 = \{(-1)^2, 2^2\} is: beelden van intervallen bereken je niet uit de randpunten alleen. Voor het tweede: 1x24    1x21 \leq x^2 \leq 4 \iff 1 \leq \abs x \leq 2, wat in twee stukken uiteenvalt. Het derde toont dat een origineel leeg mag zijn — f1(B)f^{-1}(B) is altijd zinvol, hoe klein de doorsnede van BB met het beeld ook is. Bekijk ten slotte op ditzelfde voorbeeld het strengheidsverschijnsel uit de opmerking hierboven: met A=[1,0]A = \intcc{-1}0 en A=[0,1]A' = \intcc01 is f(AA)=f({0})={0}f(A \cap A') = f(\{0\}) = \{0\}, terwijl f(A)f(A)=[0,1]f(A) \cap f(A') = \intcc01.

Definitie 1.23 (Injectief, surjectief, bijectief)

Een afbeelding f ⁣:EFf \colon E \to F heet:

  • injectief wanneer verschillende elementen verschillende beelden hebben: x,xE, f(x)=f(x)    x=x\forall x, x' \in E,\ f(x) = f(x') \implies x = x';
  • surjectief wanneer elk element van FF bereikt wordt: yF, xE, f(x)=y\forall y \in F,\ \exists x \in E,\ f(x) = y;
  • bijectief wanneer ze beide is, dat wil zeggen wanneer elke yFy \in F precies één origineel heeft.

Stelling 1.24 (Inverse afbeelding)

Een afbeelding f ⁣:EFf \colon E \to F is bijectief dan en slechts dan als er een afbeelding g ⁣:FEg \colon F \to E bestaat met gf=idEg \circ f = \mathrm{id}_E en fg=idFf \circ g = \mathrm{id}_F. In dat geval is gg uniek; ze wordt genoteerd f1f^{-1} en de inverse van ff genoemd, en f1f^{-1} is zelf bijectief met (f1)1=f(f^{-1})^{-1} = f.

Bewijs. (\Rightarrow) Is ff bijectief, dan heeft elke yFy \in F precies één origineel; definieer g(y)g(y) als dat origineel. Dan is f(g(y))=yf(g(y)) = y per constructie, en g(f(x))=xg(f(x)) = x omdat xx hét origineel van f(x)f(x) is.

(\Leftarrow) Stel dat zo’n gg bestaat. Uit f(x)=f(x)f(x) = f(x') volgt na toepassing van gg dat x=xx = x': ff is injectief. Voor yFy \in F voldoet x=g(y)x = g(y) aan f(x)=yf(x) = y: ff is surjectief.

Uniciteit: voldoen zowel gg als hh, dan is g=gidF=g(fh)=(gf)h=hg = g \circ \mathrm{id}_F = g \circ (f \circ h) = (g \circ f) \circ h = h. Ten slotte is het paar identiteiten symmetrisch in ff en gg, zodat g=f1g = f^{-1} bijectief is met inverse ff.

Voorbeeld 1.25 (Een inverse in de praktijk berekenen)

Zij f ⁣:R(0,+)f \colon \R \to \intoo0{+\infty}, f(x)=e2x+1f(x) = \eu^{2x+1}. Om te inverteren los je y=f(x)y = f(x) op naar xx, voor gegeven y>0y > 0:

y=e2x+1    lny=2x+1    x=lny12,y = \eu^{2x+1} \iff \ln y = 2x + 1 \iff x = \frac{\ln y - 1}2 ,

en elke stap is omkeerbaar op de aangekondigde domeinen. De berekening levert alles tegelijk: bij elke yy in het codomein hoort precies één oplossing xx, dus ff is bijectief, en

f1 ⁣:(0,+)R,f1(y)=lny12.f^{-1} \colon \intoo0{+\infty} \to \R, \qquad f^{-1}(y) = \frac{\ln y - 1}2 .

Een snelle controle van beide samenstellingen (f1(f(x))=(2x+1)12=xf^{-1}(f(x)) = \frac{(2x+1) - 1}2 = x en f(f1(y))=elny=yf(f^{-1}(y)) = \eu^{\ln y} = y) bevestigt het criterium van Stelling 1.24. Het inzicht: “los op naar xx en houd de equivalenties in het oog” is tegelijk het bestaansbewijs, het uniciteitsbewijs en de formule — maar het werkt alleen als het codomein correct is aangekondigd (ff is niet surjectief op R\R).

Propositie 1.26 (Samenstelling en de drie eigenschappen)

Zij f ⁣:EFf \colon E \to F en g ⁣:FGg \colon F \to G.

  1. Zijn ff en gg injectief (respectievelijk surjectief, bijectief), dan is gfg \circ f dat ook; en in het bijectieve geval is (gf)1=f1g1(g \circ f)^{-1} = f^{-1} \circ g^{-1}.
  2. Is gfg \circ f injectief, dan is ff injectief. Is gfg \circ f surjectief, dan is gg surjectief.

Bewijs. (1) Uit g(f(x))=g(f(x))g(f(x)) = g(f(x')) volgt met de injectiviteit van gg dat f(x)=f(x)f(x) = f(x'), en met die van ff dat x=xx = x'. Is zGz \in G, dan levert de surjectiviteit van gg een yy met g(y)=zg(y) = z, en die van ff een xx met f(x)=yf(x) = y, zodat g(f(x))=zg(f(x)) = z. In het bijectieve geval ga je rechtstreeks na dat f1g1f^{-1} \circ g^{-1} een tweezijdige inverse van gfg \circ f is, waarna de uniciteit in Stelling 1.24 de zaak afmaakt.

(2) Uit f(x)=f(x)f(x) = f(x') volgt g(f(x))=g(f(x))g(f(x)) = g(f(x')), en de injectiviteit van gfg \circ f geeft x=xx = x'. Is zGz \in G, dan levert de surjectiviteit van gfg \circ f een xx met g(f(x))=zg(f(x)) = z: dan voldoet y=f(x)y = f(x) aan g(y)=zg(y) = z.

Voorbeeld 1.27 (Punt (2) is scherp)

In Propositie 1.26 (2) kunnen de conclusies niet versterkt worden: dat gfg \circ f bijectief is, dwingt ff niet surjectief of gg injectief te zijn. Neem E=G={1}E = G = \{1\}, F={1,2}F = \{1, 2\}, met f(1)=1f(1) = 1 en g(1)=g(2)=1g(1) = g(2) = 1: dan is gf=idEg \circ f = \mathrm{id}_E bijectief, terwijl ff het element 22 mist en gg beide elementen op elkaar plakt. De moraal is een nauwkeurige boekhoudregel: informatie over de samenstelling stroomt voor injectiviteit naar de binnenste afbeelding en voor surjectiviteit naar de buitenste, nooit andersom. (Oefening 1.9 bouwt hetzelfde verschijnsel op oneindige verzamelingen, waar het de motor is achter eenzijdige inversen.)

Voorbeeld 1.28

f ⁣:RRf \colon \R \to \R, xx2x \mapsto x^2 is injectief noch surjectief (f(1)=f(1)f(-1) = f(1), en 1-1 heeft geen origineel). Beperken we domein en codomein, dan is f ⁣:R+R+f \colon \R_+ \to \R_+, xx2x \mapsto x^2 bijectief, met inverse yyy \mapsto \sqrt y. Of een afbeelding injectief of surjectief is, hangt dus af van het aangekondigde domein en codomein, niet alleen van het voorschrift.

1.6 Relaties

Definitie 1.29 (Equivalentierelatie)

Een binaire relatie R\mathcal{R} op een verzameling EE heet een equivalentierelatie wanneer ze reflexief is (xRxx \mathbin{\mathcal{R}} x voor alle xx), symmetrisch (xRy    yRxx \mathbin{\mathcal{R}} y \implies y \mathbin{\mathcal{R}} x) en transitief (uit xRyx \mathbin{\mathcal{R}} y en yRzy \mathbin{\mathcal{R}} z volgt xRzx \mathbin{\mathcal{R}} z). De equivalentieklasse van xx is cl(x)={yE:xRy}\mathrm{cl}(x) = \{y \in E : x \mathbin{\mathcal{R}} y\}.

Voorbeeld 1.30 (De drie axioma’s nagaan)

Verklaar op R\R dat xRyx \mathbin{\mathcal{R}} y wanneer xyZx - y \in \Z. Reflexief: xx=0Zx - x = 0 \in \Z. Symmetrisch: is xyZx - y \in \Z, dan is yx=(xy)Zy - x = -(x - y) \in \Z. Transitief: zijn xyZx - y \in \Z en yzZy - z \in \Z, dan is xz=(xy)+(yz)Zx - z = (x - y) + (y - z) \in \Z (een som van gehele getallen). Dus R\mathcal R is een equivalentierelatie, en cl(x)=x+Z={x+k:kZ}\mathrm{cl}(x) = x + \Z = \{x + k : k \in \Z\}: elke klasse bevat precies één vertegenwoordiger in [0,1)\intco01, haar fractioneel deel. De relatie “xy1\abs{x - y} \leq 1” op R\R daarentegen is wel reflexief en symmetrisch, maar niet transitief (0R10 \mathbin{\mathcal R} 1 en 1R21 \mathbin{\mathcal R} 2, terwijl 02>1\abs{0 - 2} > 1): nabijheid plant zich niet voort, en een partitie in klassen bestaat niet — een nuttig tegenvoorbeeld om bij de hand te houden wanneer het nagaan van de axioma’s routine begint te lijken.

Stelling 1.31 (Klassen vormen een partitie)

Zij R\mathcal{R} een equivalentierelatie op EE. Dan zijn de equivalentieklassen niet-leeg, twee aan twee disjunct of gelijk, en is hun vereniging EE: ze vormen een partitie van EE. Omgekeerd komt elke partitie van EE op deze manier van precies één equivalentierelatie (“in hetzelfde stuk liggen”).

Bewijs. Wegens reflexiviteit is xcl(x)x \in \mathrm{cl}(x), dus zijn de klassen niet-leeg en is hun vereniging EE. Stel cl(x)cl(y)\mathrm{cl}(x) \cap \mathrm{cl}(y) \neq \emptyset, zeg dat zz in beide ligt. Dan is xRzx \mathbin{\mathcal{R}} z en yRzy \mathbin{\mathcal{R}} z, dus met symmetrie en transitiviteit xRyx \mathbin{\mathcal{R}} y. Voor elke tcl(y)t \in \mathrm{cl}(y) geeft transitiviteit nu tcl(x)t \in \mathrm{cl}(x), en symmetrisch andersom: beide klassen zijn gelijk. Voor de omkering, zij (Ei)iI(E_i)_{i \in I} een partitie van EE en definieer xSyx \mathbin{\mathcal S} y als “een zeker stuk bevat zowel xx als yy”. Reflexief: xx ligt in een stuk, dat xx dan tweemaal bevat. Symmetrisch: de voorwaarde is symmetrisch in xx en yy. Transitief: zijn x,yEix, y \in E_i en y,zEjy, z \in E_j, dan is yEiEjy \in E_i \cap E_j, dus Ei=EjE_i = E_j (verschillende stukken zijn disjunct) en delen xx en zz een stuk. De S\mathcal S-klasse van xx is precies het stuk dat xx bevat, zodat de klassen de gegeven stukken zijn. Ten slotte ligt de relatie vast door haar klassen: twee equivalentierelaties met dezelfde klassen verbinden dezelfde paren, want elk van beide verbindt xx en yy precies wanneer yy tot de klasse van xx behoort — waarmee de uniciteit bewezen is.

Voorbeeld 1.32

Op Z\Z is de congruentie modulo nn (xy(modn)x \equiv y \pmod n wanneer nn het getal xyx - y deelt) een equivalentierelatie; haar klassen zijn de nn verzamelingen van gehele getallen met een gegeven rest bij deling door nn. Dit voorbeeld wordt de ring Z/nZ\Z/n\Z in Hoofdstuk 7.

Definitie 1.33 (Ordeningsrelatie)

Een relatie \preceq op EE heet een orde wanneer ze reflexief is, antisymmetrisch (uit xyx \preceq y en yxy \preceq x volgt x=yx = y) en transitief. De orde is totaal wanneer elke twee elementen vergelijkbaar zijn, en anders partieel. Een element MAEM \in A \subseteq E is een grootste element van AA wanneer aMa \preceq M voor alle aAa \in A; grootste (en kleinste) elementen zijn uniek zodra ze bestaan.

Voorbeeld 1.34

(R,)(\R, \leq) is totaal geordend. (P(E),)(\mathcal{P}(E), \subseteq) is partieel geordend zodra EE twee elementen heeft: {a}\{a\} en {b}\{b\} zijn onvergelijkbaar. De deelverzameling A={{a},{b}}A = \{\{a\}, \{b\}\} van P({a,b})\mathcal{P}(\{a,b\}) heeft geen grootste element, maar wel een bovengrens {a,b}\{a, b\}: het onderscheid tussen grootste elementen en bovengrenzen keert voor R\R terug in Hoofdstuk 10.

Voorbeeld 1.35 (Twee ordes op het rooster N2\N^2)

Vergelijk paren natuurlijke getallen componentsgewijs: (a,b)(a,b)(a, b) \preceq (a', b') wanneer aaa \leq a' en bbb \leq b' (de productorde). Dit is een orde — elk axioma wordt coördinaat voor coördinaat overgeërfd — maar een partiële: (1,3)(1, 3) en (2,0)(2, 0) zijn onvergelijkbaar. Vergelijk nu als in een woordenboek: (a,b)lex(a,b)(a, b) \preceq_{\mathrm{lex}} (a', b') wanneer a<aa < a', of a=aa = a' en bbb \leq b' (de lexicografische orde). Transitiviteit vraagt een gevalsonderscheid, maar geldt, en nu zijn elke twee paren vergelijkbaar: de orde is totaal. Beide ordes rangschikken dezelfde verzameling verschillend — (0,100)lex(1,0)(0, 100) \preceq_{\mathrm{lex}} (1, 0) terwijl de productorde er niets over zegt — een herinnering dat een orde een structuur is die je kiest en geen eigenschap van de verzameling. Lexicografisch vergelijken is bovendien de standaardtruc om verscheidene sorteercriteria tot één criterium samen te smeden.

Opmerking 1.36 (Tussenspel: grootte als bijectie)

Eén stil thema van dit hoofdstuk verdient de schijnwerper: bijecties zijn het wiskundige begrip van “even groot”. Voor eindige verzamelingen wordt dat de telkunde van Hoofdstuk 2, waarin elke formule stiekem een bijectie is; voor oneindige verzamelingen wordt het de weekendopgave hieronder, waar N\N, Q\Q en R\R werkelijk verschillende groottes blijken te hebben. Datzelfde woordenboek duikt in dit volume nog tweemaal in verfijnde vorm op: rijen (Hoofdstuk 11) zijn niets anders dan afbeeldingen NR\N \to \R, zodat uitspraken over rijen uitspraken over een verzameling afbeeldingen zijn; en de lineaire algebra meet vectorruimten niet met bijecties maar met lineaire bijecties, waarvan het bestaan door één enkel getal wordt geregeld: de dimensie (Hoofdstuk 19). Telkens als er een nieuwe “gelijkheid” opduikt — gelijkmachtigheid, isomorfie van groepen (Hoofdstuk 7), lineaire isomorfie — herhaalt zich het patroon van Stelling 1.24: gelijkheid is een inverteerbare afbeelding die de structuur respecteert.

Opmerking 1.37 (Waar dit hoofdstuk gebruikt wordt)

Overal — maar een paar plaatsen verdienen vermelding. De drie-kwantoren-gymnastiek van Voorbeeld 1.8 is het dagelijks brood van Hoofdstukken 11 en 13: elk limietbewijs is een spel tegen een willekeurige ε\varepsilon. Equivalentieklassen keren terug als de congruentieklassen van Z/nZ\Z/n\Z in Hoofdstuk 7, waar de partitie van Stelling 1.31 een eigen algebraïsche structuur krijgt. Ordeningsrelaties, bovengrenzen en kleinste bovengrenzen worden het axiomatische hart van R\R in Hoofdstuk 10. Injecties, surjecties en bijecties komen terug als de lineaire afbeeldingen van Hoofdstuk 20, waar injectiviteit aan één enkele vector te toetsen valt (de kern); en de weekendopgave hieronder maakt van het kale begrip bijectie een theorie van de groottes van oneindige verzamelingen, waarvan de conclusies (aftelbaarheid van Q\Q, overaftelbaarheid van R\R) weer opduiken in Hoofdstukken 10 en 12.

1.7 Oefeningen

Oefening 1.1

Schrijf de negatie van elke uitspraak, zonder het woord “niet” te gebruiken:

  1. xR, yR, x+y>0\forall x \in \R,\ \exists y \in \R,\ x + y > 0;
  2. xR, yR, xy=0\exists x \in \R,\ \forall y \in \R,\ xy = 0;
  3. ε>0, δ>0, xR, xδ    f(x)ε\forall \varepsilon > 0,\ \exists \delta > 0,\ \forall x \in \R,\ \abs{x} \leq \delta \implies \abs{f(x)} \leq \varepsilon (voor een vaste afbeelding f ⁣:RRf \colon \R \to \R).

Beslis vervolgens of de uitspraken (1) en (2) waar zijn.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.1.

Negaties, waarbij ¬\lnot door elke kwantor geduwd wordt (Propositie 1.5) en de regel ¬(P    Q)    P¬Q\lnot(P \implies Q) \iff P \land \lnot Q gebruikt wordt:

  1. xR, yR, x+y0\exists x \in \R,\ \forall y \in \R,\ x + y \leq 0;
  2. xR, yR, xy0\forall x \in \R,\ \exists y \in \R,\ xy \neq 0;
  3. ε>0, δ>0, xR, xδ en f(x)>ε\exists \varepsilon > 0,\ \forall \delta > 0,\ \exists x \in \R,\ \abs{x} \leq \delta \text{ en } \abs{f(x)} > \varepsilon.

Uitspraak (1) is waar: neem bij gegeven xx het getal y=x+1y = -x + 1; dan is x+y=1>0x + y = 1 > 0. Uitspraak (2) is waar: x=0x = 0 voldoet aan xy=0xy = 0 voor alle yy.

Oefening 1.2

Zij P,QP, Q uitspraken. Bewijs met waarheidstabellen dat ¬(P    Q)    P(¬Q)\lnot(P \implies Q) \iff P \land (\lnot Q), en leid daaruit de negatie af van: “als een functie afleidbaar is, dan is ze continu”.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.2.

Waarheidstabel, met W/O voor de vier gevallen (P,Q)(P, Q):

PPQQP    QP \implies Q¬(P    Q)\lnot(P \implies Q)¬Q\lnot QP¬QP \land \lnot Q
WWWOOO
WOOWWW
OWWOOO
OOWOWO

Kolom 44 en kolom 66 vallen samen, wat de equivalentie bewijst. De negatie van “als een functie afleidbaar is, dan is ze continu” luidt dus: “er bestaat een functie die afleidbaar is en niet continu” (een onware uitspraak overigens: de oorspronkelijke implicatie is waar, zie Hoofdstuk 14).

Oefening 1.3

Bewijs via contrapositie: voor xRx \in \R geldt, als x3+x2x^3 + x \geq 2, dan x1x \geq 1. Bewijs vervolgens uit het ongerijmde dat er geen kleinste strikt positief reëel getal bestaat.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.3.

Contrapositie. Neem aan dat x<1x < 1. Dan is x3<1x^3 < 1 (de derdemachtsfunctie is stijgend) en x<1x < 1, dus x3+x<2x^3 + x < 2. Daarmee is de contrapositie bewezen, en dus de uitspraak.

Ongerijmde. Stel dat a>0a > 0 het kleinste strikt positieve reële getal is. Dan is a/2a/2 strikt positief en a/2<aa/2 < a (want a>0a > 0), in tegenspraak met de minimaliteit. Zo’n aa bestaat dus niet.

Oefening 1.4

Bewijs met inductie dat voor alle nNn \in \N:

  1. k=0n2k=2n+11\sum_{k=0}^{n} 2^k = 2^{n+1} - 1;
  2. 4n+54^n + 5 deelbaar is door 33.
Oplossing

Oplossing van Oefening 1.4.

  1. Basisgeval n=0n = 0: 20=1=2112^0 = 1 = 2^1 - 1. Stap: neem de identiteit aan voor nn, dan is

    k=0n+12k=(2n+11)+2n+1=22n+11=2n+21.\sum_{k=0}^{n+1} 2^k = (2^{n+1} - 1) + 2^{n+1} = 2 \cdot 2^{n+1} - 1 = 2^{n+2} - 1 .
  2. Basisgeval n=0n = 0: 40+5=6=3×24^0 + 5 = 6 = 3 \times 2. Stap: is 4n+5=3m4^n + 5 = 3m, dan is

    4n+1+5=4(4n+5)15=3(4m5),4^{n+1} + 5 = 4(4^n + 5) - 15 = 3(4m - 5),

    deelbaar door 33.

Oefening 1.5

Zoek de fout in het volgende “bewijs” dat alle potloden dezelfde kleur hebben. Zij P(n)P(n): “in elke verzameling van nn potloden hebben alle potloden dezelfde kleur”. P(1)P(1) is duidelijk. Neem P(n)P(n) aan en beschouw n+1n+1 potloden; laat je het laatste weg, dan delen de eerste nn hun kleur; laat je het eerste weg, dan delen de laatste nn hun kleur; dus delen alle n+1n+1 hun kleur.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.5.

De inductiestap veronderstelt stilzwijgend dat de twee groepen (“de eerste nn” en “de laatste nn”) overlappen, zodat de gedeelde potloden de kleur van de ene groep naar de andere overdragen. Voor n+1=2n + 1 = 2 zijn die groepen {\{eerste potlood}\} en {\{tweede potlood}\}: ze zijn disjunct, en het argument stort in. P(1)    P(2)P(1) \implies P(2) is dus nooit bewezen, en daarmee valt de hele inductie weg — ook al is P(n)    P(n+1)P(n) \implies P(n+1) voor elke n2n \geq 2 wel geldig.

Oefening 1.6

Zij A,B,CA, B, C deelverzamelingen van EE. Bewijs:

  1. AB=ABA \setminus B = A \cap \overline{B};
  2. (AB)C=(AC)(BC)(A \cup B) \setminus C = (A \setminus C) \cup (B \setminus C);
  3. AB    AB=B    AB=AA \subseteq B \iff A \cup B = B \iff A \cap B = A.
Oplossing

Oplossing van Oefening 1.6.

  1. xAB    xAxB    xAxB    xABx \in A \setminus B \iff x \in A \land x \notin B \iff x \in A \land x \in \overline{B} \iff x \in A \cap \overline{B}.
  2. Met (1) en de distributiviteit (Propositie 1.18): (AB)C=(AC)(BC)(A \cup B) \cap \overline{C} = (A \cap \overline{C}) \cup (B \cap \overline{C}).
  3. Stel ABA \subseteq B. Dan is ABBA \cup B \subseteq B (beide stukken liggen in BB) en steeds BABB \subseteq A \cup B, dus AB=BA \cup B = B. Stel AB=BA \cup B = B: steeds is ABAA \cap B \subseteq A, en uit AAB=BA \subseteq A \cup B = B volgt AABA \subseteq A \cap B, dus AB=AA \cap B = A. Stel AB=AA \cap B = A: dan is A=ABBA = A \cap B \subseteq B. De drie voorwaarden zijn dus equivalent (we bewezen een kring van implicaties).

Oefening 1.7 ★★

Ga voor elke afbeelding met bewijs na of ze injectief, surjectief of bijectief is:

  1. f ⁣:NNf \colon \N \to \N, nn+1n \mapsto n + 1;
  2. g ⁣:ZZg \colon \Z \to \Z, nn+1n \mapsto n + 1;
  3. h ⁣:R{1}Rh \colon \R \setminus \{1\} \to \R, xx+1x1x \mapsto \frac{x+1}{x-1}.

Pas voor hh het codomein aan zodat ze bijectief wordt en bereken de inverse.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.7.

  1. ff is injectief (n+1=m+1    n=mn + 1 = m + 1 \implies n = m) maar niet surjectief: 00 heeft geen origineel in N\N.
  2. gg is bijectief: nn1n \mapsto n - 1 is een tweezijdige inverse op Z\Z.
  3. hh is injectief: uit x+1x1=x+1x1\frac{x+1}{x-1} = \frac{x'+1}{x'-1} volgt (x+1)(x1)=(x+1)(x1)(x+1)(x'-1) = (x'+1)(x-1), dat wil zeggen xxx+x1=xxx+x1xx' - x + x' - 1 = xx' - x' + x - 1, dus 2x=2x2x' = 2x. Surjectief op R\R is ze niet: y=x+1x1y = \frac{x+1}{x-1} oplossen geeft x(y1)=y+1x(y - 1) = y + 1, wat voor y=1y = 1 geen oplossing heeft (de vergelijking luidt dan 0=20 = 2). Met codomein R{1}\R \setminus \{1\} levert dezelfde berekening het unieke origineel x=y+1y1x = \frac{y+1}{y-1}, zodat h ⁣:R{1}R{1}h \colon \R \setminus \{1\} \to \R \setminus \{1\} bijectief is met h1(y)=y+1y1=h(y)h^{-1}(y) = \frac{y+1}{y-1} = h(y): hh is haar eigen inverse.

Oefening 1.8 ★★

Zij f ⁣:EFf \colon E \to F, en zij A,AEA, A' \subseteq E en B,BFB, B' \subseteq F.

  1. Bewijs f1(BB)=f1(B)f1(B)f^{-1}(B \cap B') = f^{-1}(B) \cap f^{-1}(B') en f(AA)=f(A)f(A)f(A \cup A') = f(A) \cup f(A').
  2. Bewijs f(AA)f(A)f(A)f(A \cap A') \subseteq f(A) \cap f(A') en geef een voorbeeld waarin de inclusie strikt is.
  3. Bewijs: ff is injectief dan en slechts dan als f(AA)=f(A)f(A)f(A \cap A') = f(A) \cap f(A') voor alle A,AA, A'.
Oplossing

Oplossing van Oefening 1.8.

  1. xf1(BB)    f(x)BB    f(x)Bf(x)B    xf1(B)f1(B)x \in f^{-1}(B \cap B') \iff f(x) \in B \cap B' \iff f(x) \in B \land f(x) \in B' \iff x \in f^{-1}(B) \cap f^{-1}(B'). Voor beelden: yf(AA)y \in f(A \cup A') precies wanneer y=f(x)y = f(x) voor een zekere xx in AA of in AA', dus precies wanneer yf(A)y \in f(A) of yf(A)y \in f(A').
  2. Is yf(AA)y \in f(A \cap A'), dan is y=f(x)y = f(x) met xAx \in A en xAx \in A', dus yf(A)y \in f(A) en yf(A)y \in f(A'). Striktheid: neem f ⁣:RRf \colon \R \to \R, xx2x \mapsto x^2, A={1}A = \{-1\}, A={1}A' = \{1\}: dan is f(AA)=f()=f(A \cap A') = f(\emptyset) = \emptyset, terwijl f(A)f(A)={1}f(A) \cap f(A') = \{1\}.
  3. (\Leftarrow) Neem A={x}A = \{x\}, A={x}A' = \{x'\} met xxx \neq x': was f(x)=f(x)f(x) = f(x'), dan zou f(A)f(A)={f(x)}f(A) \cap f(A') = \{f(x)\} zijn terwijl f(AA)=f(A \cap A') = \emptyset, in tegenspraak met de veronderstelde gelijkheid; dus is ff injectief. (\Rightarrow) Zij ff injectief en yf(A)f(A)y \in f(A) \cap f(A'): y=f(x)=f(x)y = f(x) = f(x') met xAx \in A, xAx' \in A'; de injectiviteit geeft x=xAAx = x' \in A \cap A', dus yf(AA)y \in f(A \cap A'). Samen met (2) is dat de gelijkheid.

Oefening 1.9 ★★

Zij f ⁣:EFf \colon E \to F en g ⁣:FEg \colon F \to E met gf=idEg \circ f = \mathrm{id}_E. Bewijs dat ff injectief is en gg surjectief. Geef een voorbeeld waarin ff noch gg bijectief is.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.9.

gf=idEg \circ f = \mathrm{id}_E is injectief en surjectief, dus is volgens Propositie 1.26 (2) ff injectief en gg surjectief. Voorbeeld: E=NE = \N, F=ZF = \Z, ff de inclusie nnn \mapsto n, en g ⁣:ZNg \colon \Z \to \N met g(n)=ng(n) = n voor n0n \geq 0 en g(n)=0g(n) = 0 voor n<0n < 0. Dan is g(f(n))=ng(f(n)) = n voor alle nNn \in \N, maar ff is niet surjectief en gg niet injectief.

Oefening 1.10 ★★

Definieer op R\R: xRy    x2y2=xyx \mathbin{\mathcal{R}} y \iff x^2 - y^2 = x - y. Bewijs dat R\mathcal{R} een equivalentierelatie is en beschrijf de equivalentieklasse van elk reëel getal xx. Welke klassen hebben precies één element?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.10.

x2y2=xy    (xy)(x+y)=xy    (xy)(x+y1)=0    y=xx^2 - y^2 = x - y \iff (x - y)(x + y) = x - y \iff (x - y)(x + y - 1) = 0 \iff y = x of y=1xy = 1 - x. Reflexief: y=xy = x voldoet. Symmetrisch: de voorwaarde “y=xy = x of y=1xy = 1 - x” is symmetrisch in xx en yy (uit y=1xy = 1 - x volgt x=1yx = 1 - y). Transitief: stel xRyx \mathbin{\mathcal{R}} y en yRzy \mathbin{\mathcal{R}} z; loop de vier gevallen af, en telkens is zz gelijk aan xx of aan 1x1 - x (uit y=1xy = 1 - x en z=1yz = 1 - y volgt bijvoorbeeld z=xz = x). Dus is R\mathcal{R} een equivalentierelatie en cl(x)={x,1x}\mathrm{cl}(x) = \{x,\, 1 - x\}. Die klasse heeft precies één element wanneer x=1xx = 1 - x, dat wil zeggen voor x=12x = \frac12.

Oefening 1.11 ★★★

(Cantor) Zij EE een verzameling. Bewijs dat er geen surjectie van EE op P(E)\mathcal{P}(E) bestaat. Aanwijzing: beschouw bij een gegeven f ⁣:EP(E)f \colon E \to \mathcal{P}(E) de verzameling D={xE:xf(x)}D = \{x \in E : x \notin f(x)\}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.11.

Zij f ⁣:EP(E)f \colon E \to \mathcal{P}(E) een willekeurige afbeelding en zet D={xE:xf(x)}P(E)D = \{x \in E : x \notin f(x)\} \in \mathcal{P}(E). Stel D=f(a)D = f(a) voor zekere aEa \in E. Is aDa \in D, dan is per definitie van DD juist af(a)=Da \notin f(a) = D: tegenspraak. Is aDa \notin D, dan is af(a)a \notin f(a), dus per definitie van DD juist aDa \in D: tegenspraak. Dus ligt DD niet in het beeld van ff, en ff is niet surjectief. (In het bijzonder staat geen enkele verzameling in bijectie met haar machtsverzameling: er zijn “meer” deelverzamelingen van N\N dan gehele getallen.)

Oefening 1.12 ★★★

Zij f ⁣:EFf \colon E \to F een afbeelding. Definieer Φ ⁣:P(F)P(E)\Phi \colon \mathcal{P}(F) \to \mathcal{P}(E) door Φ(B)=f1(B)\Phi(B) = f^{-1}(B).

  1. Bewijs dat ff surjectief is dan en slechts dan als Φ\Phi injectief is.
  2. Bewijs dat ff injectief is dan en slechts dan als Φ\Phi surjectief is.
Oplossing

Oplossing van Oefening 1.12.

  1. (\Rightarrow) Zij ff surjectief en Φ(B)=Φ(B)\Phi(B) = \Phi(B'). Kies bij yBy \in B een xx met f(x)=yf(x) = y; dan is xf1(B)=f1(B)x \in f^{-1}(B) = f^{-1}(B'), dus y=f(x)By = f(x) \in B'. Bijgevolg is BBB \subseteq B', en symmetrisch BBB' \subseteq B: Φ\Phi is injectief. (\Leftarrow) Is ff niet surjectief, kies dan een y0Fy_0 \in F buiten het beeld; dan is f1({y0})==f1()f^{-1}(\{y_0\}) = \emptyset = f^{-1}(\emptyset) terwijl {y0}\{y_0\} \neq \emptyset, dus Φ\Phi is niet injectief.
  2. (\Rightarrow) Zij ff injectief en AEA \subseteq E. Zet B=f(A)B = f(A); dan is f1(B)={x:f(x)f(A)}f^{-1}(B) = \{x : f(x) \in f(A)\}, en de injectiviteit geeft f(x)f(A)    xAf(x) \in f(A) \iff x \in A, dus Φ(B)=A\Phi(B) = A: Φ\Phi is surjectief. (\Leftarrow) Is ff niet injectief, neem dan xxx \neq x' met f(x)=f(x)f(x) = f(x'). Elk origineel f1(B)f^{-1}(B) bevat xx dan en slechts dan als het xx' bevat; bijgevolg is {x}\{x\} niet van de vorm Φ(B)\Phi(B), en Φ\Phi is niet surjectief.

1.8 Opgave: oneindigheden vergelijken

Probleem 1.1

Wanneer hebben twee verzamelingen “evenveel elementen”? Cantors antwoord — wanneer er een bijectie tussen beide bestaat — blijkt ook voor oneindige verzamelingen bruikbaar, en het splitst de oneindigheid in werkelijk verschillende groottes. Deze opgave bouwt het volledige gereedschap op uit de kale definities van dit hoofdstuk: de stelling van Cantor–Schröder–Bernstein (twee injecties maken samen een bijectie), de aftelbaarheid van Q\Q, de overaftelbaarheid van R\R via het diagonaalargument, en Cantors verbluffende conclusie uit 1874: transcendente getallen bestaan, en wel in overweldigende hoeveelheid — zonder er ook maar één aan te wijzen. Schrijf overal, voor verzamelingen EE en FF, EFE \preceq F wanneer er een injectie van EE in FF bestaat, en EFE \approx F (“EE en FF zijn gelijkmachtig”) wanneer er een bijectie van EE op FF bestaat.

Deel I — Het vocabulaire van de vergelijking.

  1. Toon aan dat \approx zich als een equivalentierelatie gedraagt: EEE \approx E; als EFE \approx F, dan FEF \approx E; als EFE \approx F en FGF \approx G, dan EGE \approx G. (Citeer nauwkeurig Stelling 1.24 en Propositie 1.26.)
  2. Toon aan dat \preceq transitief is, en dat een injectie f ⁣:EFf \colon E \to F altijd Ef(E)E \approx f(E) oplevert.
  3. Zij EE \neq \emptyset. Toon aan dat EFE \preceq F dan en slechts dan als er een surjectie van FF op EE bestaat.
  4. Ga na dat nn+1n \mapsto n + 1 een bijectie is van N\N op N=N{0}\N^* = \N \setminus \{0\}, en dat

    σ(n)=n2  (n even),σ(n)=n+12  (n oneven)\sigma(n) = \frac n2 \ \ (n \text{ even}), \qquad \sigma(n) = -\frac{n+1}2 \ \ (n \text{ oneven})

    een bijectie is van N\N op Z\Z. Een punt weglaten of naar de negatieve getallen verdubbelen verandert de grootte van N\N dus niet.

Deel II — De stelling van Cantor–Schröder–Bernstein. Zij f ⁣:EFf \colon E \to F en g ⁣:FEg \colon F \to E twee injecties. Definieer

C0=Eg(F),Cn+1=g(f(Cn))  (nN),C=nNCn,C_0 = E \setminus g(F), \qquad C_{n+1} = g\bigl(f(C_n)\bigr) \ \ (n \in \N), \qquad C = \bigcup_{n \in \N} C_n,

en laat h ⁣:EFh \colon E \to F elke xCx \in C naar f(x)f(x) sturen, en elke xCx \notin C naar de unieke yFy \in F met g(y)=xg(y) = x.

  1. Ga na dat hh goed gedefinieerd is: als xCx \notin C, dan is xg(F)x \in g(F), en het element yy met g(y)=xg(y) = x is uniek.
  2. Toon aan dat g(f(C))=n1CnCg\bigl(f(C)\bigr) = \bigcup_{n \geq 1} C_n \subseteq C. (Beelden verwisselen met verenigingen: Oefening 1.8.)
  3. Toon aan dat hh injectief is. (Drie gevallen; toon in het gemengde geval xCx \in C, xCx' \notin C aan dat h(x)=h(x)h(x) = h(x') zou dwingen dat xg(f(C))Cx' \in g(f(C)) \subseteq C.)
  4. Toon aan dat hh surjectief is: onderscheid voor gegeven yFy \in F de gevallen g(y)Cg(y) \notin C en g(y)Cng(y) \in C_n voor zekere n1n \geq 1 (waarom is g(y)C0g(y) \in C_0 onmogelijk?), en wijs in elk geval een origineel van yy aan.
  5. Besluit met de stelling van Cantor–Schröder–Bernstein: als EFE \preceq F en FEF \preceq E, dan EFE \approx F. Zeg in één zin wat deze uitspraak niet-triviaal maakt.
  6. Twee toepassingen. (a) Toon aan dat [0,1](0,1)\intcc01 \approx \intoo01. (b) Toon aan dat φ(p,q)=2p(2q+1)1\varphi(p, q) = 2^p(2q + 1) - 1 een bijectie van N×N\N \times \N op N\N definieert — injectiviteit met een pariteitsargument, surjectiviteit met sterke inductie (Stelling 1.12). Bijgevolg is N×NN\N \times \N \approx \N: het rooster van gehele punten in het vlak is niet groter dan de lijn.

Deel III — Aftelbare verzamelingen. Noem een verzameling EE hoogstens aftelbaar wanneer ENE \preceq \N, en aftelbaar wanneer ENE \approx \N.

  1. Toon aan dat elke oneindige deelverzameling ANA \subseteq \N aftelbaar is. (Definieer φ(n)\varphi(n) recursief als het kleinste element van A{φ(0),,φ(n1)}A \setminus \{\varphi(0), \dots, \varphi(n-1)\}; toon aan dat φ\varphi strikt stijgend is, dat φ(n)n\varphi(n) \geq n, en dat φ\varphi elk element van AA bereikt.)
  2. Leid af dat een verzameling hoogstens aftelbaar is dan en slechts dan als ze eindig of aftelbaar is, en merk op dat vraag 9 de kortere weg biedt: als ENE \preceq \N en NE\N \preceq E, dan is EE aftelbaar.
  3. Toon aan dat met EE en FF ook E×FE \times F hoogstens aftelbaar is. Leid af dat Z×N\Z \times \N^* aftelbaar is.
  4. Toon aan dat Q\Q aftelbaar is. (Injecteer Q\Q in Z×N\Z \times \N^* door elk rationaal getal onvereenvoudigbaar te schrijven met positieve noemer — de uniciteit van die schrijfwijze wordt bewezen in Hoofdstuk 6; pas dan vraag 12 toe.)
  5. Toon aan dat een aftelbare vereniging van hoogstens aftelbare verzamelingen hoogstens aftelbaar is: is elke EnE_n (nNn \in \N) hoogstens aftelbaar, dan ook nNEn\bigcup_{n \in \N} E_n. (Stuur xx naar het paar (n,fn(x))(n, f_n(x)) waarbij nn de kleinste index is met xEnx \in E_n.)
  6. Toon aan dat de verzameling van eindige deelverzamelingen van N\N aftelbaar is. (Beeld een eindige deelverzameling FF af op iF2i\sum_{i \in F} 2^i; bewijs de injectiviteit door de grootste plaats te vergelijken waar twee eindige verzamelingen verschillen, met k=0m12k=2m1\sum_{k=0}^{m-1} 2^k = 2^m - 1 uit Oefening 1.4.)

Deel IV — Diagonalisatie. Noteer met {0,1}N\{0,1\}^{\N} de verzameling van alle afbeeldingen u ⁣:N{0,1}u \colon \N \to \{0, 1\}, dat wil zeggen de verzameling van binaire rijen.

  1. Construeer een bijectie tussen P(N)\mathcal{P}(\N) en {0,1}N\{0,1\}^{\N} (indicatorfuncties).
  2. (Het diagonaalargument) Zij Φ ⁣:N{0,1}N\Phi \colon \N \to \{0,1\}^{\N} een willekeurige afbeelding. Beschouw de rij dd gegeven door d(n)=1Φ(n)(n)d(n) = 1 - \Phi(n)(n). Toon aan dat dd niet in het beeld van Φ\Phi ligt, en besluit dat {0,1}N\{0,1\}^{\N} niet hoogstens aftelbaar is. Leg in één zin uit waarom dit, via vraag 17, precies de stelling van Cantor (Oefening 1.11) is voor E=NE = \N.
  3. Neem aan — zoals van de middelbare school vertrouwd, en streng vastgelegd in Hoofdstuk 10 — dat elke x[0,1)x \in \intco01 precies één eigenlijke decimale ontwikkeling x=0.d1d2d3x = 0.d_1 d_2 d_3\dots heeft (een ontwikkeling die niet op een oneindige staart van negens eindigt). Construeer bij een willekeurige rij (xn)n1(x_n)_{n \geq 1} van elementen van [0,1)\intco01 een x[0,1)x \in \intco01 met xxnx \neq x_n voor alle nn: kies als nn-de cijfer een 55 wanneer het nn-de cijfer van xnx_n van 55 verschilt, en anders een 66. Verantwoord zorgvuldig dat xx eigenlijk is en elke xnx_n ontwijkt, en besluit dat [0,1)\intco01 niet hoogstens aftelbaar is.
  4. Leid af dat R\R overaftelbaar is, en dat de verzameling RQ\R \setminus \Q van de irrationale getallen dat evenzeer is. In welke precieze zin zijn “de meeste” reële getallen irrationaal?

Deel V — Cantors stelling van 1874: transcendente getallen bestaan. Een reëel getal xx heet algebraïsch wanneer P(x)=0P(x) = 0 voor een zekere veelterm PP met gehele coëfficiënten die niet nul is, en transcendent in het andere geval. Neem voor dit deel aan — het wordt bewezen in Hoofdstuk 8 — dat een veelterm van graad nn die niet nul is hoogstens nn reële nulpunten heeft.

  1. Toon aan dat elk rationaal getal algebraïsch is, en geef expliciet veeltermen met gehele coëfficiënten die 2\sqrt 2 en 2+3\sqrt 2 + \sqrt 3 annuleren.
  2. Toon voor vaste nNn \in \N aan dat de verzameling van veeltermen van graad hoogstens nn met gehele coëfficiënten aftelbaar is. (Injecteer haar in Zn+1\Z^{n+1} en pas inductie naar nn toe met vraag 13.)
  3. Leid af dat de verzameling van alle veeltermen met gehele coëfficiënten aftelbaar is.
  4. Bewijs Cantors stelling over de algebraïsche getallen: de verzameling A\mathcal{A} van de algebraïsche reële getallen is aftelbaar.
  5. Besluit: transcendente reële getallen bestaan, en de verzameling van transcendente getallen is overaftelbaar. Maak vervolgens in enkele zinnen de balans op van de hele opgave: de keten NZQA\N \approx \Z \approx \Q \approx \mathcal{A}, de strikte sprong naar R\R \approx (in wezen) P(N)\mathcal{P}(\N), waar elk gereedschap (Cantor–Schröder–Bernstein, aftelbare verenigingen, de diagonaal) beslissend was — en de filosofische klap van het bewijs dat er overaftelbaar veel transcendente getallen bestaan zonder er ook maar één te noemen. (Van een specifiek getal als π\pi bewijzen dat het transcendent is, is veel moeilijker en valt buiten dit volume.)
Oplossing

Oplossing van Probleem 1.1.

1. Reflexief: idE\mathrm{id}_E is een bijectie van EE op zichzelf. Symmetrisch: is f ⁣:EFf \colon E \to F bijectief, dan levert Stelling 1.24 de eveneens bijectieve f1 ⁣:FEf^{-1} \colon F \to E. Transitief: zijn f ⁣:EFf \colon E \to F en g ⁣:FGg \colon F \to G bijecties, dan zegt Propositie 1.26 (1) dat gf ⁣:EGg \circ f \colon E \to G een bijectie is. (Het gaat hier slechts om iets dat zich “als” een equivalentierelatie gedraagt: de collectie van alle verzamelingen is zelf geen verzameling, wegens de paradoxen waarnaar Oefening 1.11 verwijst; het zijn de drie eigenschappen die tellen.)

2. Zijn f ⁣:EFf \colon E \to F en g ⁣:FGg \colon F \to G injectief, dan is gfg \circ f injectief volgens Propositie 1.26 (1): EGE \preceq G. Voor het tweede punt beperk je het codomein van ff tot haar beeld: de afbeelding f~ ⁣:Ef(E)\tilde f \colon E \to f(E), xf(x)x \mapsto f(x), is per constructie van f(E)f(E) surjectief en injectief omdat ff dat is, dus bijectief: Ef(E)E \approx f(E).

3. (\Rightarrow) Zij f ⁣:EFf \colon E \to F injectief en kies een vaste aEa \in E (EE \neq \emptyset). Definieer s ⁣:FEs \colon F \to E door: s(y)s(y) is de unieke xx met f(x)=yf(x) = y wanneer yf(E)y \in f(E) (uniek wegens de injectiviteit), en s(y)=as(y) = a in de andere gevallen. Voor elke xEx \in E is s(f(x))=xs(f(x)) = x, dus wordt elke xx bereikt: ss is surjectief. (\Leftarrow) Zij s ⁣:FEs \colon F \to E surjectief. Kies bij elke xEx \in E één yxFy_x \in F met s(yx)=xs(y_x) = x en zet u(x)=yxu(x) = y_x. Uit u(x)=u(x)u(x) = u(x') volgt x=s(u(x))=s(u(x))=xx = s(u(x)) = s(u(x')) = x': u ⁣:EFu \colon E \to F is injectief.

4. nn+1n \mapsto n + 1 beeldt N\N af in N\N^*, is injectief (n+1=m+1    n=mn + 1 = m + 1 \implies n = m) en surjectief (elke m1m \geq 1 is (m1)+1(m - 1) + 1 met m1Nm - 1 \in \N). Voor σ\sigma: ze stuurt de even getallen 0,2,4,0, 2, 4, \dots naar 0,1,2,0, 1, 2, \dots en de oneven getallen 1,3,5,1, 3, 5, \dots naar 1,2,3,-1, -2, -3, \dots Injectiviteit: de even argumenten landen in N\N (σ(n)=n/20\sigma(n) = n/2 \geq 0) en de oneven in de strikt negatieve gehele getallen (σ(n)=(n+1)/21\sigma(n) = -(n+1)/2 \leq -1), zodat een botsing binnen één pariteitsklasse moet plaatsvinden, waar σ\sigma strikt monotoon is (uit n/2=m/2n/2 = m/2 of (n+1)/2=(m+1)/2(n+1)/2 = (m+1)/2 volgt n=mn = m). Surjectiviteit: k0k \geq 0 is σ(2k)\sigma(2k); k1k \leq -1 is σ(2k1)\sigma(-2k - 1) met 2k11-2k - 1 \geq 1 oneven. Dus NN\N \approx \N^* en NZ\N \approx \Z.

5. Er is C0=Eg(F)CC_0 = E \setminus g(F) \subseteq C, dus uit xCx \notin C volgt xC0x \notin C_0, oftewel xg(F)x \in g(F): een zekere yFy \in F voldoet aan g(y)=xg(y) = x. Geldt ook g(y)=xg(y') = x, dan geeft de injectiviteit van gg dat y=yy' = y. De tweede clausule in de definitie van hh wijst dus een uniek, welbepaald element g1(x)g^{-1}(x) aan.

6. Beelden verwisselen met verenigingen (Oefening 1.8 (1), toegepast op ff en dan op gg):

g(f(C))=g(f(nNCn))=nNg(f(Cn))=nNCn+1=n1CnC.g\bigl(f(C)\bigr) = g\Bigl(f\Bigl(\bigcup_{n \in \N} C_n\Bigr)\Bigr) = \bigcup_{n \in \N} g\bigl(f(C_n)\bigr) = \bigcup_{n \in \N} C_{n+1} = \bigcup_{n \geq 1} C_n \subseteq C .

7. Zij xxx \neq x' in EE. Liggen beide in CC, dan is h(x)=f(x)f(x)=h(x)h(x) = f(x) \neq f(x') = h(x') wegens de injectiviteit van ff. Ligt geen van beide in CC, dan is g(h(x))=xx=g(h(x))g(h(x)) = x \neq x' = g(h(x')), dus h(x)h(x)h(x) \neq h(x'). Is xCx \in C en xCx' \notin C (het gemengde geval, op verwisseling van namen na): stel h(x)=h(x)h(x) = h(x'), dat wil zeggen f(x)=g1(x)f(x) = g^{-1}(x'). Toepassing van gg geeft x=g(f(x))g(f(C))x' = g(f(x)) \in g(f(C)), en vraag 6 levert xCx' \in C — tegenspraak. In alle gevallen is dus h(x)h(x)h(x) \neq h(x'): hh is injectief.

8. Zij yFy \in F. Geval 1: g(y)Cg(y) \notin C. Dan is h(g(y))=g1(g(y))=yh(g(y)) = g^{-1}(g(y)) = y: het element g(y)g(y) is een origineel. Geval 2: g(y)Cg(y) \in C, zeg g(y)Cng(y) \in C_n. Omdat g(y)g(F)g(y) \in g(F), is g(y)C0=Eg(F)g(y) \notin C_0 = E \setminus g(F), zodat n1n \geq 1 en g(y)Cn=g(f(Cn1))g(y) \in C_n = g(f(C_{n-1})): er is een xCn1x \in C_{n-1} met g(y)=g(f(x))g(y) = g(f(x)). De injectiviteit van gg geeft y=f(x)y = f(x), en xCn1Cx \in C_{n-1} \subseteq C, dus h(x)=f(x)=yh(x) = f(x) = y. In beide gevallen wordt yy bereikt: hh is surjectief, en dus bijectief.

9. Zijn EFE \preceq F en FEF \preceq E, kies dan injecties f ⁣:EFf \colon E \to F en g ⁣:FEg \colon F \to E; de vragen 5–8 bouwen een bijectie h ⁣:EFh \colon E \to F, dus EFE \approx F. De uitspraak is niet-triviaal omdat de twee gegeven injecties niets met elkaar te maken hebben — geen van beide hoeft surjectief te zijn, en geen enkele naïeve formule in ff en gg definieert een afbeelding: de hele inhoud zit in de partitie van EE in het gebied CC (waar je ff overneemt) en zijn complement (waar je gg achterwaarts doorloopt).

10. (a) De inclusie (0,1)[0,1]\intoo01 \to \intcc01 is injectief; en xx+13x \mapsto \frac{x + 1}3 beeldt [0,1]\intcc01 injectief af in [13,23](0,1)\intcc{\frac13}{\frac23} \subseteq \intoo01 (ze is affien met richtingscoëfficiënt ongelijk aan nul). Met vraag 9 volgt [0,1](0,1)\intcc01 \approx \intoo01 — een bijectie die bijzonder onaangenaam expliciet op te schrijven is. (b) Injectiviteit. Stel 2p(2q+1)=2p(2q+1)2^p(2q + 1) = 2^{p'}(2q' + 1) met bijvoorbeeld ppp \leq p'. Deling door 2p2^p geeft 2q+1=2pp(2q+1)2q + 1 = 2^{p' - p}(2q' + 1). Was p>pp' > p, dan zou het rechterlid even en het linkerlid oneven zijn — onmogelijk; dus p=pp = p', waarna 2q+1=2q+12q + 1 = 2q' + 1 en q=qq = q'. Surjectiviteit. We tonen met sterke inductie aan dat elk geheel getal m1m \geq 1 van de vorm 2p(2q+1)2^p(2q + 1) is. Voor m=1m = 1: p=q=0p = q = 0. Zij m1m \geq 1 en neem de bewering aan voor alle getallen uit [ ⁣[1,m] ⁣]\intint1m. Is m+1m + 1 oneven, dan is m+1=2q+1m + 1 = 2q + 1 met p=0p = 0. Is m+1m + 1 even, dan is m+1=2mm + 1 = 2m' met 1mm1 \leq m' \leq m; volgens de hypothese is m=2p(2q+1)m' = 2^p(2q + 1), dus m+1=2p+1(2q+1)m + 1 = 2^{p+1}(2q + 1). Bijgevolg bereikt φ(p,q)=2p(2q+1)1\varphi(p, q) = 2^p(2q + 1) - 1 elke nNn \in \N, en is φ\varphi een bijectie N×NN\N \times \N \to \N.

11. Omdat AA oneindig is, is A{φ(0),,φ(n1)}A \setminus \{\varphi(0), \dots, \varphi(n - 1)\} nooit leeg, en de eigenschap van het kleinste element van N\N (gebruikt in het bewijs van Stelling 1.12) maakt de recursieve definitie geoorloofd. Strikt stijgend: φ(n+1)\varphi(n + 1) behoort tot A{φ(0),,φ(n)}A{φ(0),,φ(n1)}A \setminus \{\varphi(0), \dots, \varphi(n)\} \subseteq A \setminus \{\varphi(0), \dots, \varphi(n - 1)\}, waarvan het minimum φ(n)\varphi(n) is; dus φ(n+1)φ(n)\varphi(n + 1) \geq \varphi(n), en gelijkheid is uitgesloten, zodat φ(n+1)>φ(n)\varphi(n+1) > \varphi(n). φ(n)n\varphi(n) \geq n: met inductie, want φ(0)0\varphi(0) \geq 0 en φ(n+1)φ(n)+1n+1\varphi(n + 1) \geq \varphi(n) + 1 \geq n + 1. Injectiviteit volgt uit de strikte monotonie. Surjectiviteit op AA: stel dat een zekere aAa \in A nooit bereikt wordt. Omdat φ(a+1)a+1>a\varphi(a + 1) \geq a + 1 > a, is de verzameling van de nn met φ(n)>a\varphi(n) > a niet leeg; zij nn haar kleinste element. Voor elke k<nk < n is φ(k)a\varphi(k) \leq a, en dus φ(k)<a\varphi(k) < a (aa wordt niet bereikt). Dan ligt aa in A{φ(0),,φ(n1)}A \setminus \{\varphi(0), \dots, \varphi(n - 1)\} met a<φ(n)a < \varphi(n), in tegenspraak met de minimaliteit die φ(n)\varphi(n) definieert. Dus is φ\varphi een bijectie NA\N \to A en is AA aftelbaar.

12. Zij ENE \preceq \N via een injectie ff; dan is Ef(E)E \approx f(E) (vraag 2). Is f(E)f(E) eindig, dan is EE eindig; is f(E)f(E) oneindig, dan geeft vraag 11 dat f(E)Nf(E) \approx \N, dus ENE \approx \N wegens de transitiviteit (vraag 1). Omgekeerd injecteren eindige en aftelbare verzamelingen uiteraard in N\N. De kortere weg: uit ENE \preceq \N en NE\N \preceq E volgt ENE \approx \N rechtstreeks met Cantor–Schröder–Bernstein — zonder enig opsommingsargument.

13. Zij f ⁣:ENf \colon E \to \N en g ⁣:FNg \colon F \to \N injecties. Dan is (x,y)φ(f(x),g(y))(x, y) \mapsto \varphi\bigl(f(x), g(y)\bigr) een injectie E×FNE \times F \to \N: vallen de beelden samen, dan geeft de injectiviteit van φ\varphi (vraag 10) dat f(x)=f(x)f(x) = f(x') en g(y)=g(y)g(y) = g(y'), en dus x=xx = x', y=yy = y'. Voor Z×N\Z \times \N^*: beide factoren zijn aftelbaar (vraag 4), dus Z×NN\Z \times \N^* \preceq \N; de verzameling is oneindig (ze bevat {0}×N\{0\} \times \N^*), en dus aftelbaar volgens vraag 12.

14. Elk rationaal getal rr heeft precies één schrijfwijze r=p/qr = p/q met pZp \in \Z, qNq \in \N^* en de breuk onvereenvoudigbaar (de uniciteit wordt bewezen in Hoofdstuk 6; voor r=0r = 0 neem je 0/10/1). De afbeelding r(p,q)r \mapsto (p, q) is dan injectief: het paar legt r=p/qr = p/q vast. Bijgevolg is QZ×NN\Q \preceq \Z \times \N^* \preceq \N volgens vraag 13. Omdat NQ\N \subseteq \Q ook NQ\N \preceq \Q geeft, toont vraag 12 (of rechtstreeks Cantor–Schröder–Bernstein) dat QN\Q \approx \N: de rationale getallen zijn aftelbaar.

15. Kies bij elke nn een injectie fn ⁣:EnNf_n \colon E_n \to \N. Zij voor xnEnx \in \bigcup_n E_n het getal n(x)n(x) de kleinste nn met xEnx \in E_n, en zet u(x)=φ(n(x),fn(x)(x))Nu(x) = \varphi\bigl(n(x), f_{n(x)}(x)\bigr) \in \N. Uit u(x)=u(x)u(x) = u(x') geeft de injectiviteit van φ\varphi dat n(x)=n(x)=nn(x) = n(x') = n en fn(x)=fn(x)f_n(x) = f_n(x'), dus x=xx = x' wegens de injectiviteit van fnf_n. De vereniging injecteert dus in N\N: ze is hoogstens aftelbaar.

16. Zet Ψ(F)=iF2i\Psi(F) = \sum_{i \in F} 2^i voor eindige FNF \subseteq \N (met Ψ()=0\Psi(\emptyset) = 0). Stel FFF \neq F' en zij mm het grootste element waarop ze verschillen, zeg mFFm \in F \setminus F' (verwissel zo nodig de namen). Elementen >m> m behoren tot beide of tot geen van beide en dragen dus even veel bij aan beide sommen; vergelijken we de bijdragen van de elementen m\leq m:

iF,im2i2m>2m1=k=0m12kiF,im2i,\sum_{i \in F,\, i \leq m} 2^i \geq 2^m > 2^m - 1 = \sum_{k=0}^{m-1} 2^k \geq \sum_{i \in F',\, i \leq m} 2^i ,

met de meetkundige som uit Oefening 1.4. Bijgevolg is Ψ(F)Ψ(F)\Psi(F) \neq \Psi(F'): Ψ\Psi is injectief en de verzameling van eindige deelverzamelingen van N\N is hoogstens aftelbaar; ze is oneindig (ze bevat alle singletons) en dus aftelbaar.

17. Stuur ANA \subseteq \N naar haar indicator 1A ⁣:N{0,1}\mathbf 1_A \colon \N \to \{0,1\}, met 1A(n)=1\mathbf 1_A(n) = 1 als nAn \in A en 00 in het andere geval; stuur u{0,1}Nu \in \{0,1\}^{\N} naar Au={nN:u(n)=1}A_u = \{n \in \N : u(n) = 1\}. Beide afbeeldingen zijn elkaars inverse: A1A=AA_{\mathbf 1_A} = A en 1Au=u\mathbf 1_{A_u} = u (ga de waarde in elke nn na). Volgens Stelling 1.24 is elk van beide een bijectie: P(N){0,1}N\mathcal{P}(\N) \approx \{0,1\}^{\N}.

18. Voor elke nn is d(n)=1Φ(n)(n)Φ(n)(n)d(n) = 1 - \Phi(n)(n) \neq \Phi(n)(n), zodat de rijen dd en Φ(n)\Phi(n) op de index nn verschillen: dΦ(n)d \neq \Phi(n). Geen enkele Φ\Phi is dus surjectief, en volgens vraag 3 bestaat er evenmin een injectie {0,1}NN\{0,1\}^{\N} \to \N: {0,1}N\{0,1\}^{\N} is niet hoogstens aftelbaar. Via het woordenboek van vraag 17 is een afbeelding Φ ⁣:N{0,1}N\Phi \colon \N \to \{0,1\}^{\N} een afbeelding f ⁣:NP(N)f \colon \N \to \mathcal{P}(\N), en dd komt overeen met de verzameling D={n:nf(n)}D = \{n : n \notin f(n)\} (immers d(n)=1    Φ(n)(n)=0    nf(n)d(n) = 1 \iff \Phi(n)(n) = 0 \iff n \notin f(n)): het diagonaalargument is Cantors bewijs van Oefening 1.11 voor E=NE = \N.

19. Schrijf xn=0.d1(n)d2(n)d3(n)x_n = 0.d_1(n)\,d_2(n)\,d_3(n)\dots in eigenlijke vorm en definieer δn=5\delta_n = 5 als dn(n)5d_n(n) \neq 5 en δn=6\delta_n = 6 als dn(n)=5d_n(n) = 5, en zet x=0.δ1δ2δ3x = 0.\delta_1\delta_2\delta_3\dots Deze ontwikkeling gebruikt alleen de cijfers 55 en 66 en eindigt dus niet op louter negens: ze is de eigenlijke ontwikkeling van een reëel getal x[0,1)x \in \intco01. Voor elke nn verschillen de nn-de cijfers van xx en xnx_n (δndn(n)\delta_n \neq d_n(n) per constructie); omdat eigenlijke ontwikkelingen uniek zijn, is xxnx \neq x_n. Geen enkele rij put [0,1)\intco01 dus uit: opnieuw met vraag 3 is [0,1)\intco01 niet hoogstens aftelbaar.

20. Er geldt [0,1)R\intco01 \subseteq \R, dus een injectie RN\R \to \N zou tot een injectie op [0,1)\intco01 beperken, in tegenspraak met vraag 19: R\R is overaftelbaar. Was RQ\R \setminus \Q hoogstens aftelbaar, dan zou R=Q(RQ)\R = \Q \cup (\R \setminus \Q) een vereniging van twee hoogstens aftelbare verzamelingen zijn en dus hoogstens aftelbaar volgens vraag 15 (neem E0=QE_0 = \Q en En=RQE_n = \R \setminus \Q voor n1n \geq 1) — tegenspraak. De irrationale getallen zijn dus overaftelbaar. Preciezer: binnen R\R vormen de rationale getallen een aftelbare verzameling terwijl hun complement overaftelbaar is; geen enkele bijectie kan RQ\R \setminus \Q ooit met Q\Q laten samenvallen — er zijn strikt “meer” irrationale dan rationale getallen, ook al zijn beide oneindig en beide dicht.

21. p/qp/q (met q0q \neq 0) is een nulpunt van qXpqX - p, een veelterm met gehele coëfficiënten die niet nul is. Verder is 2\sqrt 2 een nulpunt van X22X^2 - 2. Voor x=2+3x = \sqrt 2 + \sqrt 3: x2=5+26x^2 = 5 + 2\sqrt 6, dus x25=26x^2 - 5 = 2\sqrt 6 en (x25)2=24(x^2 - 5)^2 = 24, oftewel

x410x2+1=0:x^4 - 10x^2 + 1 = 0 :

2+3\sqrt 2 + \sqrt 3 is een nulpunt van X410X2+1X^4 - 10X^2 + 1.

22. Beeld P=a0+a1X++anXnP = a_0 + a_1X + \dots + a_nX^n (graad n\leq n, gehele coëfficiënten) af op (a0,,an)Zn+1(a_0, \dots, a_n) \in \Z^{n+1}: dit is injectief, want een veelterm ligt vast door zijn coëfficiënten. Met inductie naar nn: Z1=Z\Z^1 = \Z is aftelbaar (vraag 4), en Zn+2Zn+1×Z\Z^{n+2} \approx \Z^{n+1} \times \Z is hoogstens aftelbaar volgens vraag 13. Elke verzameling van gehele veeltermen van begrensde graad is dus hoogstens aftelbaar; ze is oneindig (ze bevat de constanten) en dus aftelbaar volgens vraag 12.

23. De verzameling van alle gehele veeltermen is

nN{P:degPn, P heeft gehele coe¨fficie¨nten},\bigcup_{n \in \N} \{P : \deg P \leq n,\ P \text{ heeft gehele coëfficiënten}\},

een aftelbare vereniging van aftelbare verzamelingen: hoogstens aftelbaar volgens vraag 15, oneindig, en dus aftelbaar.

24. Voor elke gehele veelterm PP die niet nul is, is de nulpuntenverzameling RP={xR:P(x)=0}R_P = \{x \in \R : P(x) = 0\} eindig (hoogstens degP\deg P elementen, aangenomen). Volgens vraag 23 kunnen de gehele veeltermen die niet nul zijn opgesomd worden als P0,P1,P2,P_0, P_1, P_2, \dots; dan is A=nNRPn\mathcal{A} = \bigcup_{n \in \N} R_{P_n} een aftelbare vereniging van eindige (dus hoogstens aftelbare) verzamelingen: hoogstens aftelbaar volgens vraag 15. Ze bevat Q\Q (vraag 21) en is dus oneindig: A\mathcal{A} is aftelbaar.

25. Was RA\R \setminus \mathcal{A} hoogstens aftelbaar, dan zou R=A(RA)\R = \mathcal{A} \cup (\R \setminus \mathcal{A}) hoogstens aftelbaar zijn (vraag 15), in tegenspraak met vraag 20. Er bestaan dus transcendente getallen, en ze vormen zelfs een overaftelbare verzameling, terwijl de algebraïsche getallen — waaronder elk getal dat uit gehele getallen met worteltrekkingen gebouwd is — slechts een aftelbaar skelet binnen R\R vormen. Overzicht van de architectuur: de vragen 1–3 leggen de vergelijkingstaal vast; Cantor–Schröder–Bernstein (vragen 5–9) laat toe gelijkmachtigheid te bewijzen met twee makkelijke injecties in plaats van één slimme bijectie, en werd gebruikt voor [0,1](0,1)\intcc01 \approx \intoo01, voor Q\Q en overal in Deel V; de koppelingsbijectie (vraag 10) dreef de producten en de aftelbare verenigingen aan (vragen 13 en 15), die op hun beurt Q\Q, de gehele veeltermen en A\mathcal{A} aandreven; het diagonaalargument (vragen 18–19) leverde de ene strikte ongelijkheid NR\N \prec \R die het hele verhaal niet-triviaal maakt. Cantors conclusie is filosofisch opzienbarend: het bewijs wijst geen enkel transcendent getal aan en toont toch dat in de zin van gelijkmachtigheid bijna elk reëel getal transcendent is. Van één specifiek getal — π\pi of e\eu — de transcendentie aantonen vergde volstrekt andere wiskunde en nog decennia werk.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 395 begrippen in de begrippenlijst