Een faseovergang is een niet-gladde verandering van de evenwichtstoestand van een systeem wanneer een regelparameter (, , ) een grens overschrijdt. De boekhouder ervan is de ordeparameter: een grootheid die nul is in de wanordelijke fase en van nul verschilt in de geordende — de magnetisatie van een ferromagneet, het dichtheidsverschil van een vloeistof, de condensaatfractie van Hoofdstuk 19. Overgangen komen in twee soorten: eersteorde (de ordeparameter springt; latente warmte; de fasen bestaan naast elkaar — koken, smelten) en continu (de ordeparameter groeit vanaf nul; geen latente warmte; wilde fluctuaties — het curiepunt, het kritieke punt, superfluïde helium). Wanneer de geordende toestand moet kiezen tussen gelijkwaardige mogelijkheden — het noorden van een magneet moet ergens heen wijzen — gaat de overgang gepaard met het breken van een symmetrie die de onderliggende wetten wél eerbiedigen: een thema dat terugkomt, met de hoogste inzet, bij het higgsmechanisme. De motor achter elk geval is de vrije energie (Propositie 17.2): energie begunstigt orde, entropie begunstigt wanorde, en bepaalt de wisselkoers — fasegrenzen liggen waar het grootboek sluit.
Natuurkunde · Begrippenlijst