De massa van een ding vertelt uit hoeveel stof het gemaakt is. Hoe meer stof, hoe groter de massa — en hoe harder de Aarde eraan omlaag trekt, waardoor dingen met meer massa zwaarder aanvoelen in je hand en hun schaal van een balansweegschaal omlaag drukken.
Voorbeelden
Voorbeeld 20.2 (Groot is niet zwaar)
Een kussen vult je hele armen, en toch draag je het moeiteloos. Een steen die kleiner is dan je vuist belast je pols. Het kussen is groot maar bevat weinig stof — vooral veren en lucht; de steen is klein maar volgepakt met stof. Massa gaat over hoeveel stof, niet over hoeveel ruimte iets inneemt. (Die twee ideeën, en de lastige dans ertussen, komen ooit terug in het verhaal van drijven en zinken.)
Voorbeeld 20.5 (Andere weegschalen)
De keukenweegschaal en de personenweegschaal hebben geen tweede schaal: je legt de lading erop, en een naald draait (of een getal licht op) om de massa rechtstreeks te tonen. Binnenin doet een ingedrukte veer het vergelijken voor je. Handig en snel — maar de oude balans met twee schalen verbergt helemaal geen machinerie: alleen de hefboomregel die je al begrijpt.
Voorbeeld 20.6 (De markt lezen)
“Een kilogram appels” betekent: appels tot de weegschaal in evenwicht is met een blok van — ongeveer of appels. Meel komt in zakken van , repen chocola zijn vaak , een brief heeft ongeveer papier nodig, en de regel van de postbode “onder de , één postzegel” is een massaregel.