Elk ander zichtbaar ding is een verstrooiend voorwerp: het ontvangt licht en stuurt een deel ervan in alle richtingen weer weg — het verstrooit het. De bladzijde, de appel, de Maan, je eigen gezicht: geen van alle maakt ook maar een glimp eigen licht; elk strooit ontvangen licht royaal naar alle kanten. Een verstrooier in het donker is eenvoudigweg onzichtbaar.
Voorbeelden
Voorbeeld 49.3 (Verstrooien is niet spiegelen)
Zowel spiegels als bladzijden sturen ontvangen licht terug — maar op tegengestelde manieren. De spiegel kaatst in één gedisciplineerde richting (gelijke hoeken — je oude kaatsregel) en behoudt het plaatje; de microscopische ruwheid van de bladzijde sproeit licht overal heen, verwoest het plaatje maar biedt zichzelf aan elk oog tegelijk aan. Daarom toont een spiegel de lamp, terwijl de bladzijde alleen zichzelf toont, vanaf welke plek je ook staat.
Voorbeeld 49.4 (Het dossier van de Maan, gesloten)
Het oordeel uit je kindertijd heeft nu zijn officiële woorden: de Maan is geen primaire lichtbron; ze is een verstrooiend voorwerp ter grootte van een planeet — grijs gesteente dat zonlicht in alle richtingen strooit, de onze inbegrepen. Maanlicht is dus tweedehands zonneschijn, en de “donkere kant” is gewoon de helft waarvan het dossier op dat moment geen licht bevat om door te geven.