Een planeet is een grote, ronde wereld die om een ster reist en geen eigen licht maakt — we zien planeten, net als de Maan, door het zonlicht dat ze terugsturen. De Aarde is een planeet.
Voorbeelden
Voorbeeld 26.5 (Rotsplaneten en gasreuzen)
De vier binnenste planeten — Mercurius, Venus, Aarde, Mars — zijn ballen van gesteente, klein en vast: werelden waarop je zou kunnen staan. De vier buitenste — Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus — zijn de reuzen: enorme ballen die vooral uit dik gas bestaan, zonder enige grond om op te staan. Jupiter, de grootste, zou meer dan duizend Aardes kunnen opslokken; Saturnus draagt zijn beroemde glanzende ringen — ontelbare stukjes ijs die als een menigte piepkleine manen om hem heen cirkelen.
Voorbeeld 26.6 (Manen zijn geen planeten)
Onze Maan cirkelt om de Aarde, niet rechtstreeks om de Zon — dus is ze geen planeet maar een maan, een metgezel van een planeet. Andere planeten hebben hun eigen manen: Mars heeft er twee kleine, Jupiter en Saturnus elk tientallen. Een maan hoort bij haar planeet; de planeet hoort bij de Zon.
Voorbeeld 26.8 (De dwalers aan onze hemel)
Venus is vaak de eerste “ster” van de avond, laaiend in het westen na zonsondergang — zo helder omdat ze onze naaste buur is, gehuld in witte wolken die het zonlicht rijkelijk terugsturen. Mars gloeit zwak oranje; Jupiter en Saturnus schijnen rustig en helder. Volg er een paar weken lang een tegen de vaste sterren: hij dwaalt weg — precies het dwalen dat planeten hun oude naam gaf.