Biologie · Begrippenlijst

Wat is Antibioticum?

Definitie 18.3 Biologie bovenbouw · Hoofdstuk 18 — Bacteriën en antibioticaresistentie

Een antibioticum is een molecuul dat bacteriën doodt of hun groei stillegt, bij concentraties die voor de cellen van de patiënt onschadelijk zijn, doordat het inwerkt op een structuur of een proces dat bacteriën wel en menselijke cellen niet hebben: penicilline en haar verwanten blokkeren de bouw van de bacteriewand; streptomycine en tetracycline blokkeren het bacteriële ribosoom, dat van het onze verschilt; andere blokkeren de bacteriële enzymen van de DNA-replicatie. De meeste zijn voor het eerst gevonden in schimmels en bodembacteriën, die ze tegen hun concurrenten maken. Antibiotica hebben geen enkel effect op virussen, die geen van die aangrijpingspunten hebben.

Een afgelezen antibiogram. Elk schijfje bevat één antibioticum; de heldere zone is waar de bacteriën niet konden groeien. Vergeleken met de drempel van elk middel delen de doorsnedes de stam in als gevoelig voor A en D, en bestand tegen B, C en E.
Een afgelezen antibiogram. Elk schijfje bevat één antibioticum; de heldere zone is waar de bacteriën niet konden groeien. Vergeleken met de drempel van elk middel delen de doorsnedes de stam in als gevoelig voor A en D, en bestand tegen B, C en E.
Een antibiogramplaat na een nacht bebroeden: een tapijt bacteriën, en rond elk antibioticumschijfje een heldere zone waarvan de grootte de gevoeligheid van de stam meet. Eén schijfje heeft geen zone.
Een antibiogramplaat na een nacht bebroeden: een tapijt bacteriën, en rond elk antibioticumschijfje een heldere zone waarvan de grootte de gevoeligheid van de stam meet. Eén schijfje heeft geen zone.

Voorbeelden

Voorbeeld 18.2 (De rekenkunde van een populatie)

Een weerstandsmutatie ontstaat ongeveer één keer per 10810^8 delingen. In een kolf met 10910^9 bacteriën zijn dus, in de delingen die haar hebben voortgebracht, zo’n tien van zulke mutaties opgetreden; in een besmette wond of een darm, met 101210^{12} bacteriën, zo’n tienduizend. Elke grote populatie bacteriën bevat, nog vóór er enig antibioticum wordt gebruikt, cellen die ertegen bestand zijn — de stempelplaten van Hoofdstuk 13 bewezen het.

Voorbeeld 18.7 (Van één cel tot een hele afdeling)

Een patiënt die met penicilline wordt behandeld, draagt onder 101010^{10} bacteriën honderd bestendige. In drie dagen zijn de gevoelige verdwenen en heeft de bestendige kloon hun plaats ingenomen: 101010^{10} bestendige cellen. Op de handen van een verpleegkundige, op een bedhek, in de volgende patiënt gaat de kloon verder — en zit haar weerstandsgen op een plasmide, dan geeft zij het onderweg aan andere soorten door. Nergens in die reeks moest het antibioticum op het DNA inwerken; het nam alleen de concurrentie weg.

Lees in het hoofdstuk →