Een antibioticum is een molecuul dat bacteriën doodt of hun groei stillegt, bij concentraties die voor de cellen van de patiënt onschadelijk zijn, doordat het inwerkt op een structuur of een proces dat bacteriën wel en menselijke cellen niet hebben: penicilline en haar verwanten blokkeren de bouw van de bacteriewand; streptomycine en tetracycline blokkeren het bacteriële ribosoom, dat van het onze verschilt; andere blokkeren de bacteriële enzymen van de DNA-replicatie. De meeste zijn voor het eerst gevonden in schimmels en bodembacteriën, die ze tegen hun concurrenten maken. Antibiotica hebben geen enkel effect op virussen, die geen van die aangrijpingspunten hebben.
Voorbeelden
Voorbeeld 18.2 (De rekenkunde van een populatie)
Een weerstandsmutatie ontstaat ongeveer één keer per delingen. In een kolf met bacteriën zijn dus, in de delingen die haar hebben voortgebracht, zo’n tien van zulke mutaties opgetreden; in een besmette wond of een darm, met bacteriën, zo’n tienduizend. Elke grote populatie bacteriën bevat, nog vóór er enig antibioticum wordt gebruikt, cellen die ertegen bestand zijn — de stempelplaten van Hoofdstuk 13 bewezen het.
Voorbeeld 18.7 (Van één cel tot een hele afdeling)
Een patiënt die met penicilline wordt behandeld, draagt onder bacteriën honderd bestendige. In drie dagen zijn de gevoelige verdwenen en heeft de bestendige kloon hun plaats ingenomen: bestendige cellen. Op de handen van een verpleegkundige, op een bedhek, in de volgende patiënt gaat de kloon verder — en zit haar weerstandsgen op een plasmide, dan geeft zij het onderweg aan andere soorten door. Nergens in die reeks moest het antibioticum op het DNA inwerken; het nam alleen de concurrentie weg.