Het complement is een systeem van zo’n dertig plasma-eiwitten, van de serumglobulines, dat microben met een cascade van proteolytische activeringen merkt en vernietigt. Drie routes komen samen op het knippen van het centrale eiwit C3: de klassieke route, gestart doordat C1q antilichamen op een oppervlak bindt (of C-reactief eiwit, of apoptotische cellen); de lectineroute, gestart doordat mannosebindend lectine microbiële suikers herkent; en de alternatieve route, waarin C3 spontaan met lage snelheid hydrolyseert en het C3b dat daarbij ontstaat zich aan elk oppervlak hecht dat het tegenkomt. Elke route bouwt een C3-convertase, een enzym dat meer C3 knipt; het C3b dat het covalent op het oppervlak neerlegt bouwt op zijn beurt meer convertase — een versterkingslus — zodat een bacterie binnen minuten met miljoenen C3b is bedekt. C3b is een opsonine: fagocyten dragen er receptoren voor en eten wat het bedekt. De kleine fragmenten C3a en C5a zijn anafylatoxinen die vaten verwijden, neutrofielen aantrekken en mestcellen activeren. En C5b stelt C6–C9 samen tot het membraanaanvalscomplex, een porie van die gramnegatieve bacteriën en virussen met envelop doet uiteenvallen. Gastheercellen worden gespaard omdat zij regulatoren dragen — factor H, CD55, CD59 — die het convertase op hun eigen oppervlak uiteenhalen en de porie blokkeren; microben, die ze missen, worden door de lus verteerd.
Biologie · Begrippenlijst