Op enkele na is elke bacterie omsloten door een wand van peptidoglycaan: ketens van afwisselend N-acetylglucosamine en N-acetylmuraminezuur, door korte peptiden dwarsverbonden tot één molecuul dat de cel omringt en de turgordruk van het cytoplasma — enkele atmosferen — weerstaat. Grampositieve bacteriën hebben een dikke wand van , uit vele lagen, doorregen met teichoïnezuren; gramnegatieve bacteriën hebben een dunne wand van één of twee lagen en daarbuiten een tweede lipidedubbellaag, het buitenmembraan, waarvan de buitenste laag uit lipopolysacharide bestaat (LPS, endotoxine — het molecuul dat het aangeboren afweersysteem van Hoofdstuk 15 herkent en dat septische shock veroorzaakt), met daartussen een periplasma. Porines in het buitenmembraan laten kleine moleculen door en houden veel antibiotica buiten. Daarbuiten kunnen een polysacharidekapsel tegen fagocyten liggen, zweepstaarten om te zwemmen (Hoofdstuk 9) en pili om te hechten en te conjugeren. Binnenin is het chromosoom — bij de meeste soorten één cirkelvormig molecuul van — zonder membraan tot een nucleoïde gevouwen, naast plasmiden. Sommige geslachten (Bacillus, Clostridium) kunnen een kopie van het chromosoom in een dikke mantel sluiten als endospore, uitgedroogd en stofwisselend inert, die koken, straling en eeuwen droogte overleeft en ontkiemt zodra er weer voedingsstoffen zijn.
Biologie · Begrippenlijst