Biologie · Begrippenlijst

Wat is Virus?

Definitie 17.11 Universitaire biologie — jaar 1 · Hoofdstuk 17 — Genomen van cellen en virussen

Een virus is een genoom in een eiwitomhulsel, de capside — soms gewikkeld in een membraan, de envelop, aan een gastheercel ontleend — dat zich uitsluitend binnen een cel voortplant, met de ribosomen, de energie en de bouwstoffen van die cel. Zijn genoom kan DNA of RNA zijn, dubbel- of enkelstrengs, lineair of ringvormig, één molecuul of verscheidene: van 5kb5\,\mathrm{kb} (enkele genen) tot 1.2Mb1.2\,\mathrm{Mb} (duizend, bij de reuzenvirussen). Buiten een cel doet een virus niets: het is geen cel, het heeft geen stofwisseling, en het leeft alleen in de zin dat het informatie draagt en evolueert. De bacteriofagen zijn de virussen van bacteriën.

Bacteriofagen die zich aan een bacterie hebben gehecht: veelvlakkige koppen met het DNA erin, en staarten waardoor het zal worden ingespoten. Eén enkele cel zal binnen een half uur honderd nieuwe fagen vrijgeven.
Bacteriofagen die zich aan een bacterie hebben gehecht: veelvlakkige koppen met het DNA erin, en staarten waardoor het zal worden ingespoten. Eén enkele cel zal binnen een half uur honderd nieuwe fagen vrijgeven.

Voorbeelden

Voorbeeld 17.13 (Virussen met RNA-genomen)

Influenza draagt acht segmenten enkelstrengs RNA en een eigen polymerase om ze te kopiëren, want cellen hebben geen enzym dat RNA kopieert; dat polymerase maakt één fout per 1000010\,000 basen en het virus verandert elk seizoen. Een retrovirus (hiv) draagt RNA en een reverse transcriptase dat het in DNA overschrijft, dat als een profaag in het gastheerchromosoom wordt ingevoegd — een blijvende besmetting. De mechanismen, en de afweerreactie erop, horen bij het deel van jaar 3; hier markeren zij hoe ver het begrip genoom reikt.

Lees in het hoofdstuk →
Definitie 13.1 Universitaire biologie — jaar 3 · Hoofdstuk 13 — Virologie

Een virus is een verplichte intracellulaire parasiet die bestaat uit een genoom van nucleïnezuur — DNA of RNA, enkel- of dubbelstrengs, lineair of cirkelvormig, één molecuul of verscheidene — verpakt in een eiwit-capside, en in veel gevallen gewikkeld in een envelop die aan een gastheermembraan is ontleend en met virale glycoproteïnen is bezet. Het volledige besmettelijke deeltje is het virion, bij de meeste 20 tot 300nm20\text{ tot }300\,\mathrm{nm} groot (enkele reuzenvirussen halen een micrometer). Capsiden worden gebouwd uit vele kopieën van één of enkele eiwitten, geschikt met helicale symmetrie (een staafje, zoals bij het tabaksmozaïekvirus) of met icosaëdrische symmetrie (een schil van 60T60T subeenheden, T=1,3,4,7,T = 1, 3, 4, 7,\dots). De indeling van Baltimore groepeert virussen naar de weg van genoom naar boodschapper-RNA: I, dubbelstrengs DNA (herpes, pokken, adenovirus, de meeste fagen); II, enkelstrengs DNA (parvovirus); III, dubbelstrengs RNA (rotavirus); IV, RNA van de positieve streng, zelf een boodschapper (polio, hepatitis C, de coronavirussen); V, RNA van de negatieve streng, complementair aan de boodschapper (griep, mazelen, hondsdolheid, ebola); VI, RNA dat in DNA wordt teruggeschreven (de retrovirussen, hiv); VII, DNA dat via een RNA-tussenvorm wordt gerepliceerd (hepatitis B). Elke klasse behalve I moet een enzym meebrengen of coderen dat de cel mist — een RNA-afhankelijk RNA-polymerase, een reverse transcriptase — en die enzymen zijn het doelwit van de meeste antivirale middelen.

Voorbeelden

Voorbeeld 13.6 (Hiv vóór en na de vergelijkingen)

Tot 1995 werden de jaren van klinische latentie bij een hiv-infectie — een stabiele virale last van 10410^{4}10610^{6} kopieën per milliliter en een trage daling van de T-cellen — gelezen als een sluimerend virus. Ho, Perelson en collega’s gaven patiënten een proteaseremmer en pasten de daling van de virale last aan de stelling aan: de snelle fase gaf c3d1c \approx 3\,\mathrm{d}^{-1} (een halveringstijd van een virion van ongeveer zes uur), de trage fase δ0.5d1\delta \approx 0.5\,\mathrm{d}^{-1} (een besmette cel leeft ongeveer anderhalve dag). Een stabiele last van 10510^{5} per milliliter in 15L15\,\mathrm{L} lichaamsvocht, geklaard met cc, vergt dus de productie van ongeveer 101010^{10} virionen per dag, elke dag, jarenlang: de “latente” periode is een razende evenwichtstoestand van besmetting en dood, waarbij de voorraad T-cellen dagelijks wordt vervangen tot zij het begeeft. De mutatierekenkunde van de volgende paragraaf volgt daar meteen uit, en daarmee de reden dat losse middelen faalden en drie niet.

Voorbeeld 13.9 (Waarom hiv drie middelen nodig had)

Het reverse transcriptase van hiv vergist zich ongeveer eens per 10510^{5} nucleotiden, zodat elk gekopieerd genoom van 9700nt9700\,\mathrm{nt} ongeveer 0.10.1 mutaties draagt, en 101010^{10} nieuwe genomen per dag samen 10910^{9} mutaties dragen: elk van de 3×9700300003\times 9700 \approx 30\,000 mogelijke enkele puntmutaties ontstaat elke dag vele keren, nog voordat er een middel is gegeven. Een middel dat één enkele mutatie verslaat — zoals één mutatie de meeste remmers van het reverse transcriptase en van het protease verslaat — is daarom binnen weken verslagen, en dat is wat AZT in 1987 overkwam. Twee onafhankelijke mutaties ontstaan samen met 101010^{-10} per genoom, ongeveer eens per dag; drie met 101510^{-15}, eens per duizend dagen — en een patiënt op drie middelen wiens last duizendvoudig is gedaald maakt 10710^{7} genomen per dag, zodat de drievoudige mutant nooit verschijnt. Dat, en het bewijs uit de stelling dat het virus op volle snelheid repliceerde, maakten de combinatietherapie vanaf 1996 tot de behandeling die van aids een chronische aandoening maakte.

Lees in het hoofdstuk →