Een gen is een stuk van een DNA-molecuul — meestal enkele duizenden basenparen — waarvan de volgorde de instructies draagt om één eiwit te maken (of soms één werkzaam RNA-molecuul). Het neemt een vaste plaats op een bepaald chromosoom in. De versies van een gen die in enkele basen verschillen, zijn zijn allelen: dezelfde plaats, dezelfde functie, een iets andere volgorde, en dus vaak een iets ander eiwit.
Voorbeelden
Voorbeeld 3.10 (Getallen)
Het menselijk genoom — één volledige set chromosomen — draagt basenparen en ongeveer genen; de genen beslaan slechts enkele procenten van de volgorde. Een cel van E. coli draagt één ringvormig DNA-molecuul van basenparen en ongeveer 4300 genen. Twee niet-verwante mensen verschillen in ruwweg één base op duizend: zo’n drie miljoen posities, de meeste buiten genen en zonder gevolg, enkele daarvan allelen die een kenmerk veranderen.
Voorbeeld 3.13 (Toepassingen van transgenese)
Menselijke insuline en groeihormoon uit bacteriën; een gen voor weerstand tegen een insectenplaag ingebracht in mais of katoen; rijst met genen om een voorloper van vitamine A te maken; het GFP-gen gekoppeld aan een ander gen, zodat de cellen waarin dat gen actief is onder de microscoop oplichten — die laatste toepassing, een onderzoeksgereedschap, is verreweg de gewoonste. Elke toepassing roept haar eigen vragen op over veiligheid en over gevolgen voor het milieu; elke berust op hetzelfde feit, de universaliteit van het erfelijke molecuul.