Elke soort heeft een binomiale naam: de naam van haar geslacht (met hoofdletter) gevolgd door een soortaanduiding, beide cursief — Homo sapiens, Quercus robur, Escherichia coli — vaak gevolgd door de auteur en het jaar van de beschrijving. Het stelsel, in 1753 (planten) en 1758 (dieren) door Linnaeus vastgelegd, nestelt soorten in een hiërarchie van rangen: geslacht, familie, orde, klasse, stam (of afdeling), rijk, domein. Een groep op elke rang heet een taxon. Elke naam is gebonden aan een stuk typemateriaal, dat in een museum of herbarium wordt bewaard en vastlegt waarnaar de naam verwijst; de oudste geldige naam heeft voorrang; en de regels zijn zo vastgelegd dat één organisme wereldwijd één naam heeft. De rangen zijn afspraken — er is geen eigenschap die alle families delen en geen geslacht heeft; alleen de soort is een natuurlijke eenheid.