In een eukaryote celkern is het DNA om eiwitten gewonden: basenparen maken 1,7 winding rond een achttal histonen (twee elk van H2A, H2B, H3, H4, kleine eiwitten rijk aan lysine en arginine die de fosfaten neutraliseren), en vormen zo een nucleosoom van breed; nucleosomen volgen elkaar om de paren op, als kralen aan een snoer, met een vijfde histon, H1, dat elke kraal afsluit. Dit chromatine vouwt zich verder op: tot een vezel van , tot lussen van tienduizenden paren die aan een eiwitgeraamte zijn verankerd, en — bij de deling — tot de compacte staafjes van het metafasechromosoom, tienduizend keer korter dan het kale DNA. Euchromatine is de lossere, genrijke vorm die in de interfase wordt overgeschreven; heterochromatine de gecondenseerde, genarme vorm die compact blijft (rond de centromeren, aan de uiteinden, en op een uitgeschakeld X-chromosoom).

