Het genoom van een cel is het geheel van haar DNA: de informatie voor elk eiwit en elk RNA dat zij kan maken, en de sequenties die bepalen wanneer die worden gemaakt. Een chromosoom is één DNA-molecuul met de eiwitten die het ordenen. Een bacterie heeft er meestal één, ringvormig, van één tot tien miljoen basenparen (E. coli: , lang), opgevouwen in een gebied van het cytoplasma, het nucleoïde, zonder membraan eromheen. Naast het chromosoom dragen veel bacteriën plasmiden: kleine ringen van enkele duizenden tot enkele honderdduizenden paren, in één tot honderden kopieën, die zich zelfstandig repliceren en facultatieve genen dragen — resistentie tegen antibiotica, toxines, de machinerie om zichzelf naar een andere cel over te brengen.
Voorbeelden
Voorbeeld 17.3 (Een dicht bezet genoom)
Van de van het chromosoom van E. coli codeert voor eiwit: zo’n genen van elk ongeveer paren, kop aan staart gepakt met honderd paren ertussen, en vele gegroepeerd in operons die samen worden overgeschreven (Hoofdstuk 20). Een plasmide van kan drie genen dragen en in vijftig kopieën voorkomen; het resistentiegen dat het draagt kan zich in weken door de bacteriën van een ziekenhuisafdeling verspreiden, door conjugatie, sneller dan enige mutatie zou kunnen ontstaan.
Voorbeeld 17.9 (De grootte van een genoom lezen)
Een genoom van zonder intronen en met weinig herhalingen bevat genen; een van met lange intronen en de helft van zijn lengte aan herhalingen bevat er ; een van bevat diezelfde twintigduizend. De grootte meet hoeveel er zich in het niet-coderende DNA van een lijn heeft opgehoopt, en hoe doeltreffend dat is verwijderd, niet hoeveel het organisme doet.
Voorbeeld 17.13 (Virussen met RNA-genomen)
Influenza draagt acht segmenten enkelstrengs RNA en een eigen polymerase om ze te kopiëren, want cellen hebben geen enzym dat RNA kopieert; dat polymerase maakt één fout per basen en het virus verandert elk seizoen. Een retrovirus (hiv) draagt RNA en een reverse transcriptase dat het in DNA overschrijft, dat als een profaag in het gastheerchromosoom wordt ingevoegd — een blijvende besmetting. De mechanismen, en de afweerreactie erop, horen bij het deel van jaar 3; hier markeren zij hoe ver het begrip genoom reikt.