Drie soorten vaten vormen elke lus (Definitie 27.3, nu benoemd):
- slagaders: dikwandig, elastisch, en ze voeren het bloed onder druk weg van het hart — de polsslag (Propositie 27.6) is hun oprekken bij elke stoot;
- haarvaten: de haarfijne vaatjes die elk orgaan doorweven — met wanden van één cel dik, waar alle uitwisselingen gebeuren: longblaasjes, darmvlokken, spieren, huid;
- aders: wijd, dunwandiger, en ze brengen het bloed onder lage druk naar het hart terug, met eigen eenrichtingskleppen — de blauwige lijnen uit Opmerking 27.4.
Voorbeelden
Voorbeeld 52.5 (Eén druppel, één volledige rondrit)
De bezorgronde uit Voorbeeld 27.2, met de namen van de kaart erbij: rechterkamer — de haarvaten van de long (zuurstof aan boord bij de longblaasjes, helderrood) — linkerboezem, linkerkamer — slagader — de haarvaten van een dijspier (zuurstof en glucose eraf, koolstofdioxide erop, donkerder) — ader, met kleppen die de klim verlichten — rechterboezem. Twee circuits, binnen een minuut, en geen verkeerde afslagen beschikbaar: daar zorgen de kleppen voor.
Voorbeeld 52.7 (Metingen langs de weg)
Drie alledaagse aflezingen van het net: de polsslag — het oprekken van een slagader, waarmee je de stoten telt (Methode 27.8); de bloeddruk, de twee getallen van de manchet — de slagaderdruk tijdens de stoot en ertussen; en de lub-dub van de stethoscoop — de deuren van de kleppen die je hoort sluiten. Drie vensters, zonder één snee.