Een vaccin is een bereiding die een primaire verworven reactie uitlokt, en daarmee geheugen, tegen een ziekteverwekker zonder zijn ziekte te veroorzaken: de ziekteverwekker verzwakt (mazelen, tuberculose), gedood (polio bij inspuiting), teruggebracht tot één van zijn eiwitten of tot een onwerkzaam gemaakt gif (tetanus, hepatitis B), of, het recentst, tot de instructies waarmee de cel dat eiwit maakt. Een adjuvans dat aan de bereiding wordt toegevoegd, lokt de kleine ontsteking uit zonder welke de dendritische cellen het antigeen niet naar de lymfeknoop zouden dragen. Herhaalprikken maken van de primaire reactie een secundaire en verlengen het geheugen tientallen jaren.
Voorbeelden
Voorbeeld 34.6 (Een virus, twee keer ontmoet)
Een eerste griep: het virus vermenigvuldigt zich drie dagen lang voordat de verworven reactie klaar is; tegen dag 7 doden cytotoxische T-cellen besmette cellen in de luchtwegen en maken antistoffen vrij virus onschadelijk; tegen dag 10 knapt de persoon op, met geheugencellen van beide typen. Dezelfde stam een jaar later: antistoffen die al in het bloed zitten houden het meeste virus bij de ingang tegen, geheugencellen breiden binnen twee dagen uit, en de infectie is voorbij voordat zij wordt opgemerkt. Een andere stam waarvan de oppervlakte-eiwitten zijn gemuteerd ontsnapt aan de antistoffen — en daarom wordt het vaccin elk jaar opnieuw gemaakt.