Een eiwit is een keten van aminozuren, van enkele tientallen tot enkele duizenden lang, gekozen uit een verzameling van twintig typen. De volgorde — de opeenvolging van de aminozuren — is wat het gen vastlegt; eenmaal gemaakt vouwt de keten zich tot een bepaalde driedimensionale vorm die door die volgorde is bepaald, en de vorm bepaalt de functie. Verander één aminozuur en de vouwing, en dus de functie, kan veranderen.
Voorbeelden
Voorbeeld 14.8 (Vier mutaties, vier uitkomsten)
Coderende streng ATG CCT GAA TTC TAG: mRNA AUG CCU GAA UUC UAG, eiwit Met–Pro–Glu–Phe.
ATG CCC GAA TTC TAG: CCC is nog steeds Pro — stil.ATG CCT GCA TTC TAG: GCA is Ala — Met–Pro–Ala–Phe, missense.ATG CCT TAA TTC TAG: UAA is een stop — Met–Pro, nonsense, een afgekapt eiwit.ATG CCAT GAA TTC TAG: een ingevoegde A verschuift het raam:AUG CCA UGA… Met–Pro–stop — een leesraamverschuiving.
Voorbeeld 14.10 (Snelheid en opbrengst)
Een ribosoom voegt 5 tot 20 aminozuren per seconde toe: een eiwit van 300 aminozuren kost minder dan een minuut. Ribosomen volgen elkaar op een mRNA met ongeveer 80 nucleotiden ertussen, dus draagt een boodschap van 900 nucleotiden er een tiental tegelijk; over haar leven van enkele uren levert één mRNA duizend eiwitmoleculen op. Een cel van E. coli maakt zo’n eiwitmoleculen per seconde; de voorloper van een rode bloedcel zo’n hemoglobinemoleculen in haar leven.