In een molecuul zijn de valentie-elektronen van elk atoom in paren gegroepeerd. Een bindend elektronenpaar wordt door twee atomen gedeeld en vormt een covalente binding; een vrij elektronenpaar hoort bij één atoom en doet niet mee aan een binding.
Voorbeelden
Voorbeeld 24.7 (Koolstofdioxide)
: valentie-elektronen, 8 paren. De enkele bindingen gebruiken 2 paren; 6 vrije paren op de zuurstofatomen maken die compleet, maar koolstof heeft dan maar 4 elektronen. Door van elk zuurstofatoom één vrij paar een gedeeld paar te maken, ontstaan twee dubbele bindingen: nu heeft elk atoom een octet.