Een fysische verandering verandert de toestand of de ordening van materie zonder de chemische stoffen te veranderen: smelten, bevriezen, koken, oplossen, mengen. Voor en na zijn dezelfde stoffen aanwezig; alleen hun vorm of hun ordening is veranderd.
Voorbeelden
Voorbeeld 12.2 (Water, op drie manieren)
IJs dat smelt tot water, water dat kookt tot waterdamp, en zout dat in water oplost, zijn fysische veranderingen: voor en na zijn er watermoleculen (en zout). Als je inzoomt, zijn de moleculen dezelfde; alleen hoe ze geordend zijn en hoe ze bewegen, is veranderd.