Een ion is een atoom, of een groep atomen, dat een of meer elektronen heeft afgestaan of opgenomen, en daardoor een elektrische lading draagt. Een ion met een positieve lading, dat elektronen heeft afgestaan, is een kation; een ion met een negatieve lading, dat elektronen heeft opgenomen, is een anion. De lading schrijf je rechtsboven de formule: , , .
Voorbeelden
Voorbeeld 17.2 (Natrium en chloor)
Een natriumatoom, 11 protonen en 11 elektronen, staat één elektron af: het wordt het natriumion , 11 protonen en 10 elektronen, lading :
Een chlooratoom, 17 protonen en 17 elektronen, neemt één elektron op: het wordt het chloride-ion , 17 protonen en 18 elektronen:
Voorbeeld 17.11 (Een neerslagreactie opschrijven)
Je schrijft alleen de ionen op die de vaste stof vormen; de andere blijven opgelost en doen niet mee: