Een polymeer is een stof die bestaat uit heel grote moleculen, de macromoleculen, elk opgebouwd uit veel kleine eenheden die een voor een aan elkaar gebonden zijn. De kleine moleculen waaruit het gemaakt wordt, zijn zijn monomeren; de reactie die ze aan elkaar koppelt, is een polymerisatie.
Voorbeelden
Voorbeeld 49.7 (Het monomeer van PVC)
De keten herhaalt ; de hoofdketen bevat alleen koolstofatomen, dus het monomeer is chlooretheen, .
Voorbeeld 49.8 (PET, een polyester)
Ethaan-1,2-diol, , draagt twee alcoholgroepen; benzeen-1,4-dicarbonzuur, , twee zuurgroepen. Elke zuurgroep vormt een ester met een alcoholgroep en splitst water af: de keten groeit aan beide uiteinden. Het polymeer is polyethyleentereftalaat, PET, het materiaal van drankflessen en van polyestervezels. Zijn repeterende eenheid, , heeft een molaire massa van , dat is de twee monomeren () min twee moleculen water ().
Voorbeeld 49.9 (Nylon-6,6, een polyamide)
Hexaan-1,6-diamine, , en hexaandizuur, , worden door amidebindingen aan elkaar gekoppeld, die elk één molecuul water afsplitsen:
De twee zessen in de naam tellen de koolstofatomen van elk monomeer. De amidebindingen van naburige ketens trekken elkaar aan via waterstofbruggen, wat nylonvezels sterk maakt.