Definitie 1.20Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 1 · Hoofdstuk 1 — Logica, verzamelingen en afbeeldingen
Een afbeelding (of functie) f:E→F kent aan elk element x van de verzamelingE (het domein) precies één element f(x) van de verzamelingF (het codomein) toe. Voor A⊆E en B⊆F zijn
f(A)={f(x):x∈A}⊆F,f−1(B)={x∈E:f(x)∈B}⊆E
het beeld van A en het origineel van B. De samenstelling van f:E→F en g:F→G is g∘f:E→G, x↦g(f(x)).
Voor het eerste: elke x∈[−1,2] heeft x2∈[0,4], en elke y∈[0,4] wordt bereikt als y=(y)2 met y∈[0,2]⊆[−1,2] — merk op dat het beeld niet[1,4]={(−1)2,22} is: beelden van intervallen bereken je niet uit de randpunten alleen. Voor het tweede: 1≤x2≤4⟺1≤∣x∣≤2, wat in twee stukken uiteenvalt. Het derde toont dat een origineel leeg mag zijn — f−1(B) is altijd zinvol, hoe klein de doorsnede van B met het beeld ook is. Bekijk ten slotte op ditzelfde voorbeeld het strengheidsverschijnsel uit de opmerking hierboven: met A=[−1,0] en A′=[0,1] is f(A∩A′)=f({0})={0}, terwijl f(A)∩f(A′)=[0,1].
Voorbeeld 1.27(Punt (2) is scherp)
In Propositie 1.26 (2) kunnen de conclusies niet versterkt worden: dat g∘fbijectief is, dwingt fnietsurjectief of ginjectief te zijn. Neem E=G={1}, F={1,2}, met f(1)=1 en g(1)=g(2)=1: dan is g∘f=idEbijectief, terwijl f het element 2 mist en g beide elementen op elkaar plakt. De moraal is een nauwkeurige boekhoudregel: informatie over de samenstelling stroomt voor injectiviteit naar de binnensteafbeelding en voor surjectiviteit naar de buitenste, nooit andersom. (Oefening 1.9 bouwt hetzelfde verschijnsel op oneindige verzamelingen, waar het de motor is achter eenzijdige inversen.)
Voorbeeld 1.28
f:R→R, x↦x2 is injectief noch surjectief (f(−1)=f(1), en −1 heeft geen origineel). Beperken we domein en codomein, dan is f:R+→R+, x↦x2bijectief, met inverse y↦y. Of een afbeeldinginjectief of surjectief is, hangt dus af van het aangekondigde domein en codomein, niet alleen van het voorschrift.