Definitie 12.8Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 3 · Hoofdstuk 12 — De ruimten Lp
De functie
ρ(x)=⎩⎨⎧cexp(−1−∥x∥21)0∥x∥<1,∥x∥≥1,
met c zo genormeerd dat ∫ρ=1, is C∞ op Rd: de kern van de zaak is dat t↦e−1/t1t>0C∞ is op R, met alle afgeleiden in 0+ gelijk aan 0 (elke afgeleide is P(1/t)e−1/t voor een veelterm P, en dat gaat naar 0; inductie). Voor ε>0 stellen we ρε(x)=ε−dρ(x/ε): met drager in Bˉ(0,ε) en nog steeds integraal 1.
Voorbeelden
Voorbeeld 12.10(∣x∣ gladstrijken, met snelheden)
Neem f(x)=∣x∣ op R (lokaal L1; de stelling is op elk begrensd venster van toepassing) en een symmetrische mollifierρε. Dan is
fε(x)=(f∗ρε)(x)=∫∣x−y∣ρε(y)dy
C∞; ver van de knik gebeurt er niets: voor ∣x∣≥ε is ∣x−y∣ lineair in x op de drager van ρε, zodat fε(x)=∣x∣exact (de symmetrie doodt de correctie). Nabij 0 kost het gladstrijken precies
0≤fε(0)=∫∣y∣ρε(y)dy≤ε,∥fε−f∥∞≤ε:
de benaderingsfout blijft opgesloten in de ε-omgeving van de singulariteit en is van haar grootte. Ondertussen is fε′′≥0 overal (f is convex, en convolutie tegen ρε≥0 behoudt de convexiteit), met ∫fε′′=fε′(∞)−fε′(−∞)=2: de tweede afgeleide is een bult van massa 2 geperst in een breedte O(ε), dus ∥fε′′∥∞≳ε−1. Gladstrijken is een ruil: uniforme fout O(ε) tegen explosie van de afgeleide O(ε−1) — precies de wisselkoers die de kwantitatieve analyse (interpolatieongelijkheden, de ideeënkring van Probleem 12.1) formaliseert.