Mathematics · Boek 5 · Bachelor Year 3

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 3

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 3 · Bachelor Year 3

12De ruimten Lp

De Lebesgue-integraal is voor de analyse gebouwd; de ruimten LpL^p zijn de plek waar die analyse woont. Het zijn banachruimten (Riesz–Fischer) — de vervolledigingen die de continue functies volgens Oefening 7.1 misten — en ze dragen een gladstrijktechniek, convolutie tegen mollifiers, die elke LpL^p-functie door C\mathcal C^\infty-functies benadert. Dit hoofdstuk bewijst de integraalversies van Hölder en Minkowski, de volledigheid, de dichtheidsstellingen en de regularisatiemachine, en eindigt met de inclusie- en interpolatiegeografie van de LpL^p-schaal. Overal is (X,A,μ)(X, \mathcal A, \mu) een maatruimte en zijn de functies complexwaardig; op Rd\R^d is de maat λd\lambda_d.

12.1 Definitie; Hölder en Minkowski

Definitie 12.1

Voor 1p<1 \leq p < \infty is Lp(μ)\mathcal L^p(\mu) de verzameling meetbare ff met fp=(fp ⁣dμ)1/p<\norm f_p = \bigl(\int\abs f^p\dd\mu\bigr)^{1/p} < \infty, en L(μ)\mathcal L^\infty(\mu) de verzameling functies die buiten een nulverzameling begrensd zijn, met f\norm f_\infty het essentiële supremum — de kleinste MM met fM\abs f \leq M b.o. (het infimum wordt bereikt: snijd de nulverzamelingen voor M+1nM + \frac1n). Omdat fp=0\norm f_p = 0 slechts f=0f = 0 b.o. afdwingt (Oefening 10.5), stellen we

Lp(μ)=Lp(μ)/{f=0 b.o.}:L^p(\mu) = \mathcal L^p(\mu)/\{f = 0 \text{ b.o.}\} :

de elementen zijn klassen van functies modulo nulverzamelingen, en p\norm\cdot_p is een echte norm op LpL^p.

Stelling 12.2 (Ongelijkheid van Hölder)

Zij 1p,q1 \leq p, q \leq \infty met 1p+1q=1\frac1p + \frac1q = 1 (toegevoegde exponenten). Voor meetbare f,gf, g geldt

fg1fpgq,\norm{fg}_1 \leq \norm f_p\,\norm g_q ,

met gelijkheid (voor 1<p<1 < p < \infty, eindige normen, f,g0f,g\ne0) dan en slechts dan als fp\abs f^p en gq\abs g^q b.o. evenredig zijn.

Bewijs. De gevallen {p,q}={1,}\{p, q\} = \{1, \infty\} zijn rechtstreeks (fggf\abs{fg} \leq \norm g_\infty\abs f b.o.). Zij 1<p<1 < p < \infty; normeer fp=gq=1\norm f_p = \norm g_q = 1 (homogeniteit; nul- of oneindige normen zijn triviaal). De ongelijkheid van Young abapp+bqqab \leq \frac{a^p}p + \frac{b^q}q (a,b0a, b \geq 0; concaviteit van ln\ln, zoals in Probleem 8.1) geeft puntsgewijs fgfpp+gqq\abs{f g} \leq \frac{\abs f^p}p + \frac{\abs g^q}q; integreer: fg11p+1q=1\norm{fg}_1 \leq \frac1p + \frac1q = 1. Gelijkheid dwingt b.o. gelijkheid in Young af, dat wil zeggen fp=gq\abs f^p = \abs g^q b.o. (na de normering; terugschalen geeft evenredigheid).

Stelling 12.3 (Ongelijkheid van Minkowski)

Voor 1p1 \leq p \leq \infty is f+gpfp+gp\norm{f + g}_p \leq \norm f_p + \norm g_p.

Bewijs. p=1,p = 1, \infty: de puntsgewijze respectievelijk b.o. driehoeksongelijkheid. Voor 1<p<1 < p < \infty nemen we aan dat f+gp<\norm{f+g}_p < \infty (anders levert f+gp2p1(fp+gp)\abs{f+g}^p \leq 2^{p-1}(\abs f^p + \abs g^p), uit de convexiteit van tpt^p, dat het linkerlid eindig is zodra het rechterlid dat is). Dan is

f+gppff+gp1+gf+gp1(fp+gp)f+gp1q\norm{f{+}g}_p^p \leq \int\abs f\,\abs{f{+}g}^{p-1} + \int\abs g\,\abs{f{+}g}^{p-1} \leq \bigl(\norm f_p + \norm g_p\bigr)\, \bigl\|\abs{f{+}g}^{p-1}\bigr\|_q

volgens Hölder, en f+gp1q=f+gpp/q\norm{\abs{f+g}^{p-1}}_q = \norm{f+g}_p^{p/q} omdat (p1)q=p(p-1)q = p; deel door f+gpp/q\norm{f+g}_p^{p/q} (als dat niet nul is; anders triviaal) en gebruik ppq=1p - \frac pq = 1.

12.2 Volledigheid en haar metgezellen

Stelling 12.4 (Riesz–Fischer)

Voor 1p1 \leq p \leq \infty is Lp(μ)L^p(\mu) een banachruimte. Bovendien heeft elke in LpL^p convergerende rij een deelrij die bijna overal convergeert (met een LpL^p-dominant in het geval p<p < \infty).

Bewijs. p=p = \infty: een \norm\cdot_\infty-cauchyrij is, buiten één enkele nulverzameling (de vereniging van aftelbaar veel), uniform cauchy: ze convergeert daarbuiten uniform; klaar. Zij p<p < \infty. Volgens Oefening 7.1(b) volstaat het absoluut convergente reeksen te sommeren: zij fkp=M<\sum\norm{f_k}_p = M < \infty. Stel Gn=knfkG_n = \sum_{k \leq n}\abs{f_k} en G=kfkG = \sum_k\abs{f_k} (puntsgewijs in [0,][0,\infty]): volgens Minkowski is GnpM\norm{G_n}_p \leq M, en de monotone convergentie (GnpGpG_n^p \nearrow G^p) geeft GpMp\int G^p \leq M^p: dus G<G < \infty b.o., zodat de reeks fk(x)\sum f_k(x) voor b.o. xx absoluut convergeert; noem de som S(x)S(x) (willekeurige waarde op de nulverzameling). Dan is Sknfkp(2G)pL1\abs{S - \sum_{k\leq n}f_k}^p \leq (2G)^p \in L^1, en de gedomineerde convergentie geeft Sknfkp0\norm{S - \sum_{k\leq n}f_k}_p \to 0: de reeks convergeert in LpL^p.

De uitspraak over de deelrij: als fnff_n \to f in LpL^p, kies dan nkn_k met fnk+1fnkp2k\norm{f_{n_{k+1}} - f_{n_k}}_p \leq 2^{-k}; de reeks (fnk+1fnk)\sum(f_{n_{k+1}} - f_{n_k}) valt onder het vorige argument: ze convergeert b.o. absoluut, gedomineerd door een GLpG \in L^p, dus fnkfn1+()f_{n_k} \to f_{n_1} + \sum(\cdots) b.o., en die b.o.-limiet moet (een vertegenwoordiger van) ff zijn (beide zijn LpL^p-limieten). De dominant: fnkfn1+G\abs{f_{n_k}} \leq \abs{f_{n_1}} + G.

Opmerking 12.5

LpL^p-convergentie impliceert geen b.o.-convergentie (de rij van de schrijfmachine, Oefening 12.3), en evenmin omgekeerd (wegglippende bulten): de twee convergentiewijzen zijn alleen via deelrijen en dominantie verbonden. De tegenvoorbeelden van Oefening 12.3 in het geheugen houden is het beste vaccin.

12.3 Dichtheidsstellingen

Stelling 12.6

Zij 1p<1 \leq p < \infty.

  1. De elementaire functies (met dragers van eindige maat) liggen dicht in Lp(μ)L^p(\mu).
  2. In Lp(Rd)L^p(\R^d) liggen de continue functies met compacte drager, Cc(Rd)\mathcal C_c(\R^d), dicht.
  3. De translatie is continu op Lp(Rd)L^p(\R^d): schrijven we τhf=f(h)\tau_hf = f(\cdot - h), dan is τhffp0\norm{\tau_hf - f}_p \to 0 als h0h \to 0.

Geen van de drie geldt voor p=p = \infty.

Bewijs. (1) Voor f0f \geq 0: de dyadische snfs_n \nearrow f van Stelling 10.4 voldoen aan fsnpfpL1\abs{f - s_n}^p \leq f^p \in L^1: gedomineerde convergentie. (Elke snfs_n \leq f ligt in LpL^p, en haar niveauverzamelingen hebben eindige maat waar de waarde positief is: μ(snc)cpfp\mu(s_n \geq c) \leq c^{-p}\int f^p.) Splits een algemene ff in vier niet-negatieve delen.

(2) Volgens (1) volstaat het 1A\mathbf 1_A te benaderen, met AA borel en λd(A)<\lambda_d(A) < \infty. De regulariteit (het bewijs verloopt als in Stelling 9.13) geeft een compacte KAUK \subseteq A \subseteq U met UU open en λd(UK)<ε\lambda_d(U\setminus K) < \varepsilon; de functie van Urysohn

φ(x)=d(x,RdU)d(x,RdU)+d(x,K)\varphi(x) = \frac{d(x, \R^d\setminus U)}{d(x, \R^d\setminus U) + d(x, K)}

is continu, gelijk aan 11 op KK en aan 00 buiten UU, en kan compacte drager krijgen (krimp UU eerst tot een begrensde open verzameling). Dan is 1Aφppλd(UK)<ε\norm{\mathbf 1_A - \varphi}_p^p \leq \lambda_d(U\setminus K) < \varepsilon.

(3) Voor gCcg \in \mathcal C_c: de uniforme continuïteit geeft τhgg0\norm{\tau_hg - g}_\infty \to 0, met dragers in één vaste compacte verzameling voor h1\abs h \leq 1: dus τhggp0\norm{\tau_hg - g}_p \to 0. Voor algemene ff: kies gCcg \in \mathcal C_c met fgp<ε\norm{f - g}_p < \varepsilon; dan is τhffp2fgp+τhggp\norm{\tau_hf - f}_p \leq 2\norm{f - g}_p + \norm{\tau_hg - g}_p (translatie-invariantie van de norm).

Voor p=p = \infty: uniforme benadering van 1(0,)\mathbf 1_{\intoo0\infty} door continue functies is onmogelijk (de sprong), en τh1(0,)1(0,)=1\norm{\tau_h\mathbf 1_{\intoo0\infty} - \mathbf 1_{\intoo0\infty}}_\infty = 1 voor h0h \neq 0.

12.4 Convolutie en regularisatie

Stelling 12.7 (Ongelijkheid van Young)

Zij 1p1 \leq p \leq \infty, fL1(Rd)f \in L^1(\R^d) en gLp(Rd)g \in L^p(\R^d). Dan is fgf * g b.o. gedefinieerd, behoort tot LpL^p en geldt

fgpf1gp.\norm{f * g}_p \leq \norm f_1\,\norm g_p .

Bewijs. p=p = \infty: rechtstreekse afschatting. p=1p = 1: Stelling 11.9. Zij 1<p<1 < p < \infty en qq toegevoegd. Splits f(y)=f(y)1/qf(y)1/p\abs{f(y)} = \abs{f(y)}^{1/q}\cdot \abs{f(y)}^{1/p} en pas Hölder toe:

f(y)g(xy) ⁣dy(f)1/q(f(y)g(xy)p ⁣dy)1/p.\int\abs{f(y)}\,\abs{g(x{-}y)}\,\dd y \leq \Bigl(\int\abs f\Bigr)^{1/q} \Bigl(\int\abs{f(y)}\,\abs{g(x - y)}^p\,\dd y\Bigr)^{1/p} .

Verhef tot de pp-de macht en integreer naar xx; Tonelli op de tweede factor geeft f1p/qf1gpp\norm f_1^{p/q}\cdot\norm f_1\norm g_p^p, oftewel fgppf11+p/qgpp=(f1gp)p\norm{f*g}_p^p \leq \norm f_1^{1 + p/q}\norm g_p^p = (\norm f_1\norm g_p)^p — en de eindigheid van de Tonelli-integraal rechtvaardigt de b.o. absolute convergentie, net als in Stelling 11.9.

Definitie 12.8 (Mollifiers)

De functie

ρ(x)={cexp(11x2)x<1,0x1,\rho(x) = \begin{cases} c\,\exp\Bigl(-\dfrac{1}{1 - \norm x^2}\Bigr) & \norm x < 1,\\ 0 & \norm x \geq 1, \end{cases}

met cc zo genormeerd dat ρ=1\int\rho = 1, is C\mathcal C^\infty op Rd\R^d: de kern van de zaak is dat te1/t1t>0t \mapsto \eu^{-1/t}\mathbf 1_{t>0} C\mathcal C^\infty is op R\R, met alle afgeleiden in 0+0^+ gelijk aan 00 (elke afgeleide is P(1/t)e1/tP(1/t)\eu^{-1/t} voor een veelterm PP, en dat gaat naar 00; inductie). Voor ε>0\varepsilon > 0 stellen we ρε(x)=εdρ(x/ε)\rho_\varepsilon(x) = \varepsilon^{-d}\rho(x/\varepsilon): met drager in Bˉ(0,ε)\bar B(0, \varepsilon) en nog steeds integraal 11.

Stelling 12.9 (Regularisatie)

Zij 1p<1 \leq p < \infty en fLp(Rd)f \in L^p(\R^d). Dan geldt:

  1. fρεC(Rd)f * \rho_\varepsilon \in \mathcal C^\infty(\R^d), met α(fρε)=fαρε\partial^\alpha(f * \rho_\varepsilon) = f * \partial^\alpha\rho_\varepsilon;
  2. fρεfp0\norm{f * \rho_\varepsilon - f}_p \to 0 als ε0\varepsilon \to 0;
  3. bijgevolg ligt Cc(Rd)\mathcal C^\infty_c(\R^d) dicht in Lp(Rd)L^p(\R^d).

Bewijs. (1) Differentiëren onder de integraal (Stelling 10.15) naar xx: voor xx in een bal BB is xiρε(xy)Cε1K(y)\abs{\partial_{x_i}\rho_\varepsilon(x - y)} \leq C_\varepsilon\,\mathbf 1_{K}(y) met KK compact (yy op afstand hoogstens ε\varepsilon van BB), en f1KL1\abs f\,\mathbf 1_K \in L^1 (Hölder tegen 1K\mathbf 1_K): de stelling is van toepassing; itereer voor hogere afgeleiden.

(2) Omdat ρε=1\int\rho_\varepsilon = 1:

(fρε)(x)f(x)=(f(xy)f(x))ρε(y) ⁣dy,(f * \rho_\varepsilon)(x) - f(x) = \int \bigl(f(x - y) - f(x)\bigr)\rho_\varepsilon(y)\,\dd y ,

en de integraalongelijkheid van Minkowski — of rechtstreeks: Hölder/Jensen met de kansmaat ρε ⁣dy\rho_\varepsilon\dd y en Tonelli — geeft

fρεfpp(f(xy)f(x)p ⁣dx)ρε(y) ⁣dy=τyffpp  ρε(y) ⁣dy\norm{f*\rho_\varepsilon - f}_p^p \leq \int\Bigl(\int\abs{f(x-y) - f(x)}^p\dd x\Bigr)\rho_\varepsilon(y)\,\dd y = \int \norm{\tau_yf - f}_p^p\;\rho_\varepsilon(y)\,\dd y

(de tussenstap: pas de ongelijkheid van Jensen, Oefening 12.10, toe op de binnenste yy-integraal en vervolgens Tonelli). De integrand heeft drager in yε\norm y \leq \varepsilon en gaat daar uniform naar 00 als ε0\varepsilon \to 0 (Stelling 12.6(3)): dus gaat de hele uitdrukking naar 00.

(3) Benader ff door gCcg \in \mathcal C_c (Stelling 12.6(2)), en vervolgens gg door gρεCcg * \rho_\varepsilon \in \mathcal C_c^\infty (compacte drager: de som van de dragers).

Voorbeeld 12.10 (x\abs x gladstrijken, met snelheden)

Neem f(x)=xf(x) = \abs x op R\R (lokaal L1L^1; de stelling is op elk begrensd venster van toepassing) en een symmetrische mollifier ρε\rho_\varepsilon. Dan is

fε(x)=(fρε)(x)=xyρε(y) ⁣dyf_\varepsilon(x) = (f * \rho_\varepsilon)(x) = \int\abs{x - y}\,\rho_\varepsilon(y)\,\dd y

C\mathcal C^\infty; ver van de knik gebeurt er niets: voor xε\abs x \geq \varepsilon is xy\abs{x - y} lineair in xx op de drager van ρε\rho_\varepsilon, zodat fε(x)=xf_\varepsilon(x) = \abs x exact (de symmetrie doodt de correctie). Nabij 00 kost het gladstrijken precies

0fε(0)=yρε(y) ⁣dyε,fεfε:0 \leq f_\varepsilon(0) = \int\abs y\,\rho_\varepsilon(y)\,\dd y \leq \varepsilon, \qquad \norm{f_\varepsilon - f}_\infty \leq \varepsilon :

de benaderingsfout blijft opgesloten in de ε\varepsilon-omgeving van de singulariteit en is van haar grootte. Ondertussen is fε0f_\varepsilon'' \geq 0 overal (ff is convex, en convolutie tegen ρε0\rho_\varepsilon \geq 0 behoudt de convexiteit), met fε=fε()fε()=2\int f_\varepsilon'' = f_\varepsilon'(\infty) - f_\varepsilon'(-\infty) = 2: de tweede afgeleide is een bult van massa 22 geperst in een breedte O(ε)O(\varepsilon), dus fεε1\norm{f_\varepsilon''}_\infty \gtrsim \varepsilon^{-1}. Gladstrijken is een ruil: uniforme fout O(ε)O(\varepsilon) tegen explosie van de afgeleide O(ε1)O(\varepsilon^{-1}) — precies de wisselkoers die de kwantitatieve analyse (interpolatieongelijkheden, de ideeënkring van Probleem 12.1) formaliseert.

Gevolg 12.11 (Hoofdlemma van de variatierekening)

Zij fLloc1(Rd)f \in L^1_{\mathrm{loc}}(\R^d) (integreerbaar op compacte verzamelingen) met fφ=0\int f\varphi = 0 voor elke φCc(Rd)\varphi \in \mathcal C^\infty_c(\R^d). Dan is f=0f = 0 b.o.

Bewijs. Leg een bal B=B(0,R)B = B(0, R) vast en stel g=f1B(0,R+1)L1g = f\mathbf 1_{B(0, R+1)} \in L^1. Voor xBx \in B en ε<1\varepsilon < 1 is (gρε)(x)=f(y)ρε(xy) ⁣dy=0(g * \rho_\varepsilon)(x) = \int f(y)\rho_\varepsilon(x - y)\dd y = 0, want de testfunctie yρε(xy)y \mapsto \rho_\varepsilon(x-y) ligt in Cc\mathcal C_c^\infty. Maar gρεgg * \rho_\varepsilon \to g in L1L^1 (Stelling 12.9): dus g=0g = 0 b.o. op BB; put Rd\R^d uit.

12.5 De geografie van LpL^p

Propositie 12.12

(a) Is μ(X)<\mu(X) < \infty en 1pq1 \leq p \leq q \leq \infty, dan is LqLpL^q \subseteq L^p met fpμ(X)1p1qfq\norm f_p \leq \mu(X)^{\frac1p - \frac1q}\,\norm f_q. (b) Op Rd\R^d (oneindige maat) zijn er geen inclusies: voor pqp \neq q bestaan er functies in LpLqL^p\setminus L^q. (c) (Interpolatie) Is p<r<qp < r < q en wordt α(0,1)\alpha \in \intoo01 bepaald door 1r=αp+1αq\frac1r = \frac\alpha p + \frac{1 - \alpha}q, dan is

frfpαfq1α;\norm f_r \leq \norm f_p^{\alpha}\,\norm f_q^{1 - \alpha} ;

in het bijzonder is LpLqLrL^p \cap L^q \subseteq L^r.

Bewijs. (a) Hölder met de exponenten qp\frac qp en zijn toegevoegde: fp1fpq/p1(q/p)=fqpμ(X)1p/q\int\abs f^p\cdot 1 \leq \norm{\abs f^p}_{q/p}\,\norm 1_{(q/p)'} = \norm f_q^p\,\mu(X)^{1 - p/q} (het geval q=q = \infty rechtstreeks). (b) Nabij 00 en nabij \infty ijken de machten xαx^{-\alpha} de zaak: Oefening 12.2. (c) Schrijf fr=frαfr(1α)\abs f^r = \abs f^{r\alpha}\abs f^{r(1-\alpha)} en pas Hölder toe met het toegevoegde paar prα\frac p{r\alpha}, qr(1α)\frac q{r(1-\alpha)} (toegevoegd precies wegens de definitie van α\alpha): frfprαfqr(1α)\int\abs f^r \leq \norm f_p^{r\alpha}\norm f_q^{r(1 - \alpha)}.

Methode 12.13

De LpL^p-gereedschapskist, zoals ze hieronder overal gebruikt wordt: om een identiteit of ongelijkheid voor alle fLpf \in L^p te bewijzen — bewijs haar op een dichte klasse (Cc\mathcal C_c^\infty via Stelling 12.9) en breid uit met continuïteit (Stelling 7.2, want beide leden zijn LpL^p-continu); om f=0f = 0 te bewijzen, test tegen Cc\mathcal C_c^\infty (Gevolg 12.11); om gladheid te winnen, convolueer; om exponenten te ruilen, Hölder en interpolatie. De fouriertheorie van Hoofdstuk 14 is één lange toepassing van deze methode.

12.6 Oefeningen

Oefening 12.1

(a) Formuleer en bewijs de ongelijkheid van Cauchy–Schwarz in L2(μ)L^2(\mu) als het geval p=q=2p = q = 2 van Hölder. (b) Toon aan dat op een kansruimte pfpp \mapsto \norm f_p niet-dalend is. (c) Wanneer is Hölder een gelijkheid voor p=1p = 1, q=q = \infty?

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.1.

(a) p=q=2p = q = 2 in Stelling 12.2: fgˉ ⁣dμfgf2g2\abs{\int f\bar g\,\dd\mu} \leq \int\abs{fg} \leq \norm f_2\norm g_2 — Cauchy–Schwarz, met gelijkheid dan en slechts dan als f\abs f en g\abs g evenredig zijn en de fasen uitgelijnd.

(b) Op een kansruimte, voor pqp \leq q: pas Jensen (Oefening 12.10) met de convexe Φ(t)=tq/p\Phi(t) = \abs t^{q/p} toe op de functie fp\abs f^p: (fp)q/pfq\bigl(\int\abs f^p\bigr)^{q/p} \leq \int\abs f^q, dat wil zeggen fpfq\norm f_p \leq \norm f_q.

(c) fg=f1g\int\abs{fg} = \norm f_1\norm g_\infty dan en slechts dan als g=g\abs{g} = \norm g_\infty b.o. op {f0}\{f \neq 0\} (de ongelijkheid fgfg\abs{fg} \leq \abs f\norm g_\infty moet een b.o. gelijkheid zijn).

Oefening 12.2

Voor welke p[1,)p \in \intco1\infty behoren de volgende functies tot LpL^p?

x1/21(0,1),x1/21(1,),1x1/2(1+lnx) op (0,1),11+x op R.x^{-1/2}\mathbf 1_{\intoo01},\qquad x^{-1/2}\mathbf 1_{\intoo1\infty},\qquad \frac{1}{x^{1/2}(1 + \abs{\ln x})}\ \text{op } \intoo01, \qquad \frac1{1 + \abs x}\ \text{op } \R .

Besluit: op (0,1)\intoo01 is een kleine pp makkelijker, op (1,)\intoo1\infty een grote pp, en op R\R bevat geen enkele LpL^p een andere.

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.2.

01xp/2 ⁣dx<\int_0^1 x^{-p/2}\dd x < \infty dan en slechts dan als p<2p < 2: de eerste ligt in LpL^p voor p[1,2)p \in \intco12. 1xp/2 ⁣dx<\int_1^\infty x^{-p/2}\dd x < \infty dan en slechts dan als p>2p > 2: de tweede voor p(2,)p \in \intoo2\infty (en p=p = \infty: ze is begrensd — neem dat geval mee). Derde: voor p<2p < 2 gedomineerd door xp/2x^{-p/2}, dus integreerbaar; voor p=2p = 2 substitueer u=lnxu = -\ln x: 01 ⁣dxx(1+lnx)2=0 ⁣du(1+u)2<\int_0^1\frac{\dd x}{x(1 + \abs{\ln x})^2} = \int_0^\infty\frac{\dd u}{(1 + u)^2} < \infty; voor p>2p > 2 domineert de macht: divergent. Dus p[1,2]p \in \intcc12. Vierde: R ⁣dx(1+x)p<\int_\R\frac{\dd x}{(1 + \abs x)^p} < \infty dan en slechts dan als p>1p > 1; begrensd, dus ook LL^\infty: p(1,]p \in \intoc1\infty. Moraal: integreerbaarheid in 00 houdt van kleine pp, in \infty van grote pp; combineer je beide obstructies, dan is er geen enkele inclusie tussen de ruimten Lp(R)L^p(\R).

Oefening 12.3 ★★

(De schrijfmachine) Nummer de dyadische intervallen I1=[0,1]I_1 = \intcc01, I2=[0,12]I_2 = \intcc0{\frac12}, I3=[12,1]I_3 = \intcc{\frac12}1, I4=[0,14]I_4 = \intcc0{\frac14}, … en stel fn=1Inf_n = \mathbf 1_{I_n}. (a) Toon aan dat fn0f_n \to 0 in elke Lp([0,1])L^p(\intcc01) met p<p < \infty, maar dat (fn(x))(f_n(x)) voor elke x[0,1]x \in \intcc01 divergeert. (b) Geef de b.o. convergente deelrij die Stelling 12.4 belooft. (c) Geef omgekeerd een rij die b.o. convergeert maar niet in L1L^1, en één die in L1L^1 convergeert maar in geen enkele LpL^p met p>1p > 1.

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.3.

(a) fnpp=λ(In)0\norm{f_n}_p^p = \lambda(I_n) \to 0 (op dyadisch niveau kk is de lengte 2k2^{-k}). Maar elke xx ligt in één interval van elk dyadisch niveau: fn(x)=1f_n(x) = 1 voor oneindig veel nn en =0= 0 voor oneindig veel nn (de intervallen van hetzelfde niveau die xx niet bevatten): in geen enkel punt convergentie.

(b) fnk=1[0,2k]f_{n_k} = \mathbf 1_{\intcc0{2^{-k}}} (het eerste interval van elk niveau) convergeert naar 00 in elke x>0x > 0: dus b.o.

(c) B.o. maar niet in L1L^1: n1(0,1/n)0n\mathbf 1_{\intoo0{1/n}} \to 0 b.o., met integraal 11. In L1L^1 maar in geen enkele LpL^p met p>1p > 1: gn=en1(0, en/n)g_n = \eu^n\,\mathbf 1_{(0,\ \eu^{-n}/n)}, want gn1=1n0\norm{g_n}_1 = \frac1n \to 0 terwijl gnpp=e(p1)n/n\norm{g_n}_p^p = \eu^{(p-1)n}/n \to \infty voor elke p>1p > 1.

Oefening 12.4 ★★

Zij μ(X)<\mu(X) < \infty en fL(μ)f \in L^\infty(\mu) met f0f \neq 0. Toon aan dat fpf\norm f_p \to \norm f_\infty als pp \to \infty. (Bovengrens via (a) van Propositie 12.12; ondergrens door te integreren over {f>fε}\{\abs f > \norm f_\infty - \varepsilon\}, van positieve maat.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.4.

Boven: fpμ(X)1/pf\norm f_p \leq \mu(X)^{1/p}\norm f_\infty (Propositie 12.12(a) met q=q = \infty), en μ(X)1/p1\mu(X)^{1/p} \to 1. Onder: voor ε>0\varepsilon > 0 heeft A={f>fε}A = \{\abs f > \norm f_\infty - \varepsilon\} maat μ(A)>0\mu(A) > 0 (definitie van het essentiële supremum), en

fp(Afp)1/p(fε)μ(A)1/ppfε.\norm f_p \geq \Bigl(\int_A \abs f^p\Bigr)^{1/p} \geq (\norm f_\infty - \varepsilon)\,\mu(A)^{1/p} \xrightarrow[p\to\infty]{} \norm f_\infty - \varepsilon .

Oefening 12.5 ★★

(a) Waar precies gebruikt het bewijs van Stelling 12.6(3) dat p<p < \infty? (b) Toon aan dat fL(R)f \in L^\infty(\R) voldoet aan τhff0\norm{\tau_hf - f}_\infty \to 0 dan en slechts dan als ff een uniform continue vertegenwoordiger heeft.

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.5.

(a) Tweemaal: de omzetting τhggpC1/pτhgg\norm{\tau_hg - g}_p \leq C^{1/p}\norm{\tau_hg - g}_\infty (drager van eindige maat) ontaardt voor p=p = \infty enkel doordat de dichtheid van Cc\mathcal C_c daar faalt — dat is het echte gat: stap (2) van Stelling 12.6 heeft geen LL^\infty-analogon.

(b) Heeft ff een uniform continue vertegenwoordiger gg, dan is τhff=supxg(xh)g(x)0\norm{\tau_hf - f}_\infty = \sup_x\abs{g(x - h) - g(x)} \to 0. Omgekeerd, stel dat τhff0\norm{\tau_hf - f}_\infty \to 0. De gladgestreken functies fε=fρεf_\varepsilon = f * \rho_\varepsilon zijn continu, en

fεfsupyετyff0\norm{f_\varepsilon - f}_\infty \leq \sup_{\norm y \leq \varepsilon}\norm{\tau_yf - f}_\infty \longrightarrow 0

(de convolutie is een gemiddelde van translaten). Elke fεf_\varepsilon is uniform continu (τhfεfετhff\norm{\tau_hf_\varepsilon - f_\varepsilon}_\infty \leq \norm{\tau_hf - f}_\infty, door te middelen), en een uniforme limiet van uniform continue functies is dat weer: dus ff valt b.o. samen met een uniform continue functie.

Oefening 12.6 ★★

Zij p,qp, q toegevoegd, fLp(Rd)f \in L^p(\R^d) en gLq(Rd)g \in L^q(\R^d). Toon aan dat fgf * g overal gedefinieerd en begrensd is, met fgfpgq\norm{f*g}_\infty \leq \norm f_p\norm g_q, en bovendien uniform continu. (Continuïteit van de translatie in LpL^p; behandel p{1,}p \in \{1, \infty\} apart — gebruik voor p=p = \infty de continuïteit van de translatie op de L1L^1-factor.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.6.

Volgens Hölder ligt voor elke xx de integrand yf(xy)g(y)y \mapsto f(x - y)g(y) in L1L^1, met (fg)(x)fpgq\abs{(f*g)(x)} \leq \norm f_p\norm g_q: overal gedefinieerd en begrensd. Uniforme continuïteit (p<p < \infty):

(fg)(x+h)(fg)(x)=(τhff)(xy)g(y) ⁣dyτhffpgqh00,\abs{(f*g)(x + h) - (f*g)(x)} = \Bigl|\int\bigl(\tau_{-h}f - f\bigr)(x - y)\,g(y)\dd y\Bigr| \leq \norm{\tau_{-h}f - f}_p\,\norm g_q \xrightarrow[h\to0]{} 0,

uniform in xx (Stelling 12.6(3)). Is p=p = \infty, dan is q=1q = 1: schrijf fg=gff * g = g * f en voer dezelfde afschatting uit met de translatie werkend op gL1g \in L^1.

Oefening 12.7 ★★

Zij fLloc1((a,b))f \in L^1_{\mathrm{loc}}(\intoo ab) met fφ=0\int f\varphi' = 0 voor elke φCc((a,b))\varphi \in \mathcal C^\infty_c(\intoo ab). Toon aan dat ff b.o. gelijk is aan een constante. (Leg χCc\chi \in \mathcal C_c^\infty vast met χ=1\int\chi = 1; elke ψCc\psi \in \mathcal C_c^\infty met ψ=0\int\psi = 0 is een φ\varphi'; schrijf een algemene testfunctie als ψ+(ψ)χ\psi + (\int\psi)\chi en pas Gevolg 12.11 toe op fcf - c met c=fχc = \int f\chi.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.7.

Leg χCc((a,b))\chi \in \mathcal C_c^\infty(\intoo ab) vast met χ=1\int\chi = 1 en stel c=fχc = \int f\chi. Zij φCc\varphi \in \mathcal C_c^\infty willekeurig en ψ=φ(φ)χ\psi = \varphi - \bigl(\int\varphi\bigr)\chi: dan is ψ=0\int\psi = 0, zodat Φ(x)=axψ\Phi(x) = \int_a^x\psi een ΦCc((a,b))\Phi \in \mathcal C_c^\infty(\intoo ab) definieert (ze verdwijnt bij beide uiteinden: bij aa triviaal, bij bb omdat de totale integraal 00 is) met Φ=ψ\Phi' = \psi. De hypothese geeft fψ=fΦ=0\int f\psi = \int f\Phi' = 0, dus

fφ=(φ)fχ=cφvoor elke φ:(fc)φ=0.\int f\varphi = \Bigl(\int\varphi\Bigr)\int f\chi = \int c\,\varphi \quad\text{voor elke } \varphi: \qquad \int(f - c)\varphi = 0 .

Volgens Gevolg 12.11 (gelokaliseerd op (a,b)\intoo ab) is f=cf = c b.o.

Oefening 12.8 ★★★

(Gladde Urysohn) Zij KURdK \subseteq U \subseteq \R^d met KK compact en UU open. Construeer φCc(Rd)\varphi \in \mathcal C^\infty_c(\R^d) met 0φ10 \leq \varphi \leq 1, φ=1\varphi = 1 op KK en suppφU\operatorname{supp}\varphi \subseteq U. (Strijk de indicator van de δ\delta-omgeving KδK_\delta van KK glad met ρδ/2\rho_{\delta/2}, voor kleine δ\delta.) Leid er een C\mathcal C^\infty-partitie van de eenheid uit af voor een compacte verzameling die door eindig veel open verzamelingen wordt overdekt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.8.

Zij 3δ<d(K,RdU)3\delta < d(K, \R^d\setminus U) (positief: Oefening 6.6(b); is U=RdU = \R^d, dan voldoet elke δ\delta), Kδ={x:d(x,K)δ}K_\delta = \{x : d(x, K) \leq \delta\}, en

φ=1Kδρδ/2.\varphi = \mathbf 1_{K_\delta} * \rho_{\delta/2} .

Dan is φC\varphi \in \mathcal C^\infty (Stelling 12.9(1); de indicator ligt in L1L^1), 0φ10 \leq \varphi \leq 1 (ρ=1\int\rho = 1), φ=1\varphi = 1 op KK (voor xKx \in K is Bˉ(x,δ/2)Kδ\bar B(x, \delta/2) \subseteq K_\delta, zodat de convolutie ρ\rho volledig integreert), en suppφK3δ/2U\operatorname{supp}\varphi \subseteq K_{3\delta/2} \subseteq U: compacte drager (KδK_\delta is begrensd). Partitie van de eenheid: is KU1UmK \subseteq U_1\cup\dots\cup U_m, kies dan (met compactheid) compacte KiUiK_i \subseteq U_i met KK˚iK \subseteq \bigcup \mathring K_i, neem φi\varphi_i als hierboven voor (Ki,Ui)(K_i, U_i) en stel ψi=φij<i(1φj)\psi_i = \varphi_i\prod_{j <i}(1 - \varphi_j): elke ψi\psi_i ligt in Cc(Ui)\mathcal C_c^\infty(U_i), en iψi=1i(1φi)=1\sum_i\psi_i = 1 - \prod_i(1 - \varphi_i) = 1 op KK.

Oefening 12.9 ★★

Met interpolatie (Propositie 12.12(c)): (a) toon aan dat L1(R)L(R)Lp(R)L^1(\R)\cap L^\infty(\R) \subseteq L^p(\R) voor alle pp, met fpf11/pf11/p\norm f_p \leq \norm f_1^{1/p}\norm f_\infty^{1 - 1/p}; (b) toon aan dat ffpf \mapsto \norm f_p voor vaste ff log-convex is in 1p\frac1p, en geef een voorbeeld waarin fLpf \in L^p precies voor pp in een gegeven interval (p0,p1)(p_0, p_1).

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.9.

(a) De interpolatie-exponent voor (p0,q0)=(1,)(p_0, q_0) = (1, \infty) bij r=pr = p is α=1p\alpha = \frac1p: Propositie 12.12(c) geeft fpf11/pf11/p\norm f_p \leq \norm f_1^{1/p}\norm f_\infty^{1 - 1/p}.

(b) Logaritmen nemen in Propositie 12.12(c): lnfrαlnfp+(1α)lnfq\ln\norm f_r \leq \alpha\ln\norm f_p + (1-\alpha)\ln\norm f_q, waarbij 1r\frac1r dezelfde convexe combinatie van 1p,1q\frac1p, \frac1q is: dus is 1plnfp\frac1p \mapsto \ln\norm f_p convex. Voorbeeld met LpL^p-lidmaatschap precies op (p0,p1)\intoo{p_0}{p_1}:

f(x)=x1/p11(0,1)(x)+x1/p01[1,)(x):f(x) = x^{-1/p_1}\,\mathbf 1_{\intoo01}(x) + x^{-1/p_0}\,\mathbf 1_{\intco1\infty}(x):

de eerste term ligt in LpL^p precies voor p<p1p < p_1, de tweede precies voor p>p0p > p_0.

Oefening 12.10 ★★

(Jensen) Zij μ\mu een kansmaat, fL1(μ)f \in L^1(\mu) reëel en Φ ⁣:RR\Phi \colon \R \to \R convex. Toon aan dat

Φ(f ⁣dμ)Φf ⁣dμ\Phi\Bigl(\int f\,\dd\mu\Bigr) \leq \int \Phi\circ f\,\dd\mu

(steunlijn van Φ\Phi in het punt m=fm = \int f). Leid de ongelijkheid tussen het rekenkundig en het meetkundig gemiddelde af, en de monotonie van pfpp \mapsto \norm f_p uit Oefening 12.1(b).

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.10.

Zij m=f ⁣dμRm = \int f\,\dd\mu \in \R. De convexiteit levert een steunlijn in mm: er is een ss met Φ(t)Φ(m)+s(tm)\Phi(t) \geq \Phi(m) + s(t - m) voor alle tt (neem ss tussen de eenzijdige afgeleiden, die voor convexe functies bestaan). Substitueer t=f(x)t = f(x) en integreer tegen de kansmaat μ\mu:

Φf ⁣dμΦ(m)+s(fm)=Φ(f ⁣dμ)\int\Phi\circ f\,\dd\mu \geq \Phi(m) + s\Bigl(\int f - m\Bigr) = \Phi\Bigl(\int f\,\dd\mu\Bigr)

(meetbaarheid: Φ\Phi is continu; de integreerbaarheid van het negatieve deel van Φf\Phi\circ f wordt door de steunlijn gewaarborgd). Rekenkundig–meetkundig: neem op een eindige verzameling met gewichten wiw_i Φ=exp\Phi = \exp en f=(lnai)1if = \sum(\ln a_i)\mathbf 1_i: exp(wilnai)wiai\exp\bigl(\sum w_i\ln a_i\bigr) \leq \sum w_ia_i, dat wil zeggen aiwiwiai\prod a_i^{w_i} \leq \sum w_ia_i. De monotonie van de norm is Oefening 12.1(b).

Oefening 12.11 ★★★

(Convolutieongelijkheid van Young) Zij 1p,q,r1 \leq p, q, r \leq \infty met 1p+1q=1+1r\frac1p + \frac1q = 1 + \frac1r, en fLp(Rd)f \in L^p(\R^d), gLq(Rd)g \in L^q(\R^d). (a) Bewijs fgrfpgq\norm{f * g}_r \leq \norm f_p\,\norm g_q. (Schrijf, met de uit p,q,rp, q, r berekende toegevoegde exponenten, f(y)g(xy)=(fpgq)1/rfp(1/p1/r)gq(1/q1/r),\abs{f(y)g(x-y)} = \bigl(\abs f^p\abs g^q\bigr)^{1/r} \cdot\abs f^{\,p(1/p - 1/r)}\cdot\abs g^{\,q(1/q - 1/r)}, en pas de ongelijkheid van Hölder met drie factoren toe, met de exponenten rr, prrp\frac{pr}{r - p}, qrrq\frac{qr}{r - q}; integreer daarna naar xx met Tonelli.) (b) Ga de drie al bekende bijzondere gevallen na: r=r = \infty (Hölder, Oefening 12.6); q=1q = 1 (LpL^p-stabiliteit van de convolutie met een integreerbare kern); p=q=1p = q = 1 (L1L^1 is een convolutiealgebra, Stelling 11.9). (c) Waarom is er geen ongelijkheid met 1p+1q<1+1r\frac1p + \frac1q < 1 + \frac1r? (Test op de dilataties fλ(x)=f(λx)f_\lambda(x) = f(\lambda x) en vergelijk de schalingen van beide leden.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.11.

(a) Neem eerst p,q,r<p, q, r < \infty en f,g0f, g \geq 0 (vervang anders door absolute waarden). De drie exponenten rr, α=prrp\alpha = \frac{pr}{r-p} en β=qrrq\beta = \frac{qr}{r-q} voldoen aan 1r+1α+1β=1r+1p1r+1q1r=1\frac1r + \frac1\alpha + \frac1\beta = \frac1r + \frac1p - \frac1r + \frac1q - \frac1r = 1 (de schalingsrelatie). Splits, voor vaste xx,

f(y)g(xy)=[f(y)pg(xy)q]1/rf(y)1p/rg(xy)1q/r,f(y)g(x-y) = \bigl[f(y)^pg(x-y)^q\bigr]^{1/r}\cdot f(y)^{1 - p/r}\cdot g(x-y)^{1 - q/r},

en Hölder met de drie exponenten geeft

(fg)(x)(fpg(x)q)1/rfpp/αα/p(f*g)(x) \leq \Bigl(\int f^pg(x-\cdot)^q\Bigr)^{1/r} \norm f_p^{\,p/\alpha\cdot\alpha/p}\cdots

preciezer: de tweede factor is (f(1p/r)α)1/α=fpp(1/p1/r)\bigl(\int f^{(1-p/r)\alpha} \bigr)^{1/\alpha} = \norm f_p^{p(1/p - 1/r)} omdat (1pr)α=p(1 - \frac pr)\alpha = p, en de derde net zo gqq(1/q1/r)\norm g_q^{q(1/q - 1/r)}. Verhef tot de rr-de macht en integreer naar xx (Tonelli op de eerste factor):

fgrrfppgqqfprp(1/p1/r)gqrq(1/q1/r)=fprgqr.\norm{f*g}_r^r \leq \norm f_p^p\,\norm g_q^q\cdot \norm f_p^{\,rp(1/p - 1/r)}\,\norm g_q^{\,rq(1/q - 1/r)} = \norm f_p^r\,\norm g_q^r .

De grensgevallen (r=r = \infty, of een exponent gelijk aan zijn grens) zijn gewoon Hölder of rechtstreekse afschattingen.

(b) r=r = \infty dwingt q=pq = p' af: fg(x)fpgp\abs{f*g(x)} \leq \norm f_p\norm g_{p'} — Hölder na translatie en spiegeling. q=1q = 1 geeft r=pr = p: fgpg1fp\norm{f*g}_p \leq \norm g_1\norm f_p, het werkpaard van het gladstrijken (de motor van Stelling 12.9). p=q=1p = q = 1 geeft r=1r = 1: de convolutiealgebra (Stelling 11.9).

(c) Vervang f,gf, g door fλ=f(λ)f_\lambda = f(\lambda\cdot) en gλ=g(λ)g_\lambda = g(\lambda\cdot): dan is fλgλ=λd(fg)(λ)f_\lambda*g_\lambda = \lambda^{-d}(f*g)(\lambda\cdot), en de normen vergeleken:

linkerlidλdd/r,rechterlidλd/pd/q:\text{linkerlid} \sim \lambda^{-d - d/r}, \qquad \text{rechterlid} \sim \lambda^{-d/p - d/q} :

een ongelijkheid die voor alle f,gf, g geldt, dwingt af dat de twee schalingsexponenten samenvallen, dus dat 1+1r=1p+1q1 + \frac1r = \frac1p + \frac1q exact. Elke andere combinatie sterft bij λ0\lambda \to 0 of λ\lambda \to \infty: de relatie van Young is geen gemakzucht maar een schalingswet.

Oefening 12.12 ★★

(Gelijkheidsgevallen) (a) Toon aan dat in de ongelijkheid van Hölder fgfpgq\int\abs{fg} \leq \norm f_p\norm g_q (1<p<1 < p < \infty) gelijkheid geldt dan en slechts dan als fp\abs f^p en gq\abs g^q b.o. evenredig zijn. (Volg het gelijkheidsgeval van de ongelijkheid van Young abapp+bqqab \leq \frac{a^p}p + \frac{b^q}q, dat ap=bqa^p = b^q luidt.) (b) Toon aan dat in de ongelijkheid van Minkowski f+gpfp+gp\norm{f + g}_p \leq \norm f_p + \norm g_p (1<p<1 < p < \infty) gelijkheid met f,g0f, g \neq 0 afdwingt dat g=cfg = cf b.o., met c>0c > 0. (c) Contrasteer met p=1p = 1 en p=p = \infty: beschrijf de (veel grotere) gelijkheidsgevallen daar, aan de hand van voorbeelden.

Oplossing

Oplossing van Oefening 12.12.

(a) Normeer fp=gq=1\norm f_p = \norm g_q = 1. Het bewijs van Hölder integreert de ongelijkheid van Young fgfpp+gqq\abs{fg} \leq \frac{\abs f^p}p + \frac{\abs g^q}q; gelijkheid van de integralen dwingt b.o. gelijkheid in Young af, wat (strikte convexiteit van exp\exp; gelijkheid dan en slechts dan als ap=bqa^p = b^q) betekent dat fp=gq\abs f^p = \abs g^q b.o. De normering terugdraaien geeft fpgqq=gqfpp\abs f^p\norm g_q^q = \abs g^q\norm f_p^p b.o. — evenredigheid.

(b) Minkowski bestaat uit twee toepassingen van Hölder, op f+gp1f\abs{f + g}^{p-1}\abs f en f+gp1g\abs{f+g}^{p-1}\abs g; gelijkheid dwingt in beide de evenredigheid van (a) af: fp\abs f^p en gp\abs g^p zijn elk evenredig met f+g(p1)q=f+gp\abs{f+g}^{(p-1)q} = \abs{f+g}^p, dus g=tf\abs g = t\abs f b.o. voor een constante t0t \geq 0; en de aanvankelijke puntsgewijze driehoeksongelijkheid f+gf+g\abs{f + g} \leq \abs f + \abs g moet eveneens een b.o. gelijkheid zijn, wat voor complexe waarden betekent dat ff en gg b.o. hetzelfde argument hebben waar ze allebei niet nul zijn. Samen: g=tfg = tf b.o., met t>0t > 0 (beide zijn niet nul).

(c) p=1p = 1: gelijkheid in f+g=f+g\int\abs{f + g} = \int\abs f + \int\abs g geldt zodra ff en gg hetzelfde tekenpatroon hebben (b.o. hetzelfde argument) — geen evenredigheid vereist: f=1[0,1]f = \mathbf 1_{\intcc01} en g=1[0,2]g = \mathbf 1_{\intcc02} voldoen. p=p = \infty: f+g=f+g\norm{f+g}_\infty = \norm f_\infty + \norm g_\infty zodra de twee functies verenigbaar pieken in een gemeenschappelijk punt (of langs een gemeenschappelijke rij): f=gf = g nabij één punt volstaat, hoe ze zich elders ook gedragen. De strikte convexiteit van de LpL^p-ballen voor 1<p<1 < p < \infty — en het falen ervan in de randgevallen — is precies wat deze gelijkheidsgevallen zichtbaar maken.

12.7 Probleem: de ongelijkheid van Hardy

Probleem 12.1

Weekendopgave — de ongelijkheid van Hardy en haar scherpe constante

Voor fLp((0,+))f \in L^p(\intoo0{+\infty}) met 1<p<1 < p < \infty definiëren we de operator van Hardy

(Hf)(x)=1x0xf(t) ⁣dt.(Hf)(x) = \frac1x\int_0^x f(t)\,\dd t .

De ongelijkheid van Hardy (1920) beweert

Hfp    pp1fp,\norm{Hf}_p \;\leq\; \frac{p}{p-1}\,\norm f_p ,

en de constante pp1\frac p{p-1} is optimaal en wordt niet bereikt. Deze opgave bewijst alles en breidt daarna uit naar reeksen.

Deel I — De ongelijkheid. Neem eerst f0f \geq 0 continu met compacte drager in (0,+)\intoo0{+\infty}, en stel F(x)=0xfF(x) = \int_0^xf.

  1. Toon aan dat HfLpHf \in L^p: nabij 00 verdwijnt FF op een omgeving van 00; nabij \infty is FF begrensd, dus (Hf)(x)=O(1/x)(Hf)(x) = O(1/x), en x1xx \mapsto \frac1x behoort tot Lp((1,+))L^p(\intoo1{+\infty}) voor p>1p > 1.
  2. Integreer partieel om aan te tonen dat

    0(Fx)p ⁣dx=pp10(Fx)p1f(x) ⁣dx.\int_0^\infty \Bigl(\frac Fx\Bigr)^p\dd x = \frac{p}{p-1}\int_0^\infty\Bigl(\frac Fx\Bigr)^{p-1}f(x)\,\dd x .

    (Differentieer x1pFpx^{1-p}F^p; de randtermen verdwijnen — rechtvaardig beide uiteinden.)

  3. Pas Hölder toe op het rechterlid en leid Hfppp1fp\norm{Hf}_p \leq \frac p{p-1}\norm f_p af voor dergelijke ff.
  4. Breid uit tot heel LpL^p: construeer voor f0f \geq 0 functies fnf_n, continu met compacte drager in (0,+)\intoo0{+\infty}, met 0fnf0 \leq f_n \nearrow f b.o. (knot af en benader daarna monotoon — rechtvaardig de constructie); dan is HfnHfHf_n \nearrow Hf puntsgewijs (monotone convergentie binnen het gemiddelde) en draagt de monotone convergentie de ongelijkheid over op de limiet. Besluit voor getekende of complexe ff met HfHf\abs{Hf} \leq H\abs f.

Deel II — Optimaliteit.

  1. Stel voor A>1A > 1 fA(t)=t1/p1[1,A](t)f_A(t) = t^{-1/p}\,\mathbf 1_{\intcc1A}(t). Bereken fApp=lnA\norm{f_A}_p^p = \ln A en, voor 1xA1 \leq x \leq A,

    (HfA)(x)=pp1  x1/p(1x(11/p)).(Hf_A)(x) = \frac p{p-1}\;x^{-1/p}\, \bigl(1 - x^{-(1 - 1/p)}\bigr).
  2. Leid lim infAHfAp/fAppp1\liminf_{A\to\infty} \norm{Hf_A}_p/ \norm{f_A}_p \geq \frac{p}{p-1} af en besluit dat de constante optimaal is.
  3. Toon aan dat gelijkheid Hfp=pp1fp\norm{Hf}_p = \frac p{p-1}\norm f_p met f0f \neq 0 onmogelijk is. (Volg het gelijkheidsgeval van Hölder in vraag 3: het zou een gedrag f=cx1/pf = cx^{-1/p} afdwingen, dat niet in LpL^p ligt.)

Deel III — De discrete ongelijkheid.

  1. Vergelijk voor een niet-stijgende g0g \geq 0 op (0,)(0,\infty) en an=g(n)a_n = g(n) de grootheden anp\sum a_n^p en gp\int g^p, en de bijbehorende HH-gemiddelden, om uit Deel I de discrete ongelijkheid van Hardy af te leiden: voor an0a_n \geq 0 is

    n1(a1++ann)p    (pp1)pn1anp\sum_{n\geq1}\Bigl(\frac{a_1 + \dots + a_n}{n}\Bigr)^{p} \;\leq\; \Bigl(\frac{p}{p-1}\Bigr)^{p}\,\sum_{n\geq1}a_n^p

    — bewijs haar eerst voor niet-stijgende (an)(a_n) via de bovenstaande vergelijking, en herleid daarna het algemene geval tot het niet-stijgende met een herschikking (neem, met een rechtvaardiging van één regel, aan dat (an)(a_n) dalend sorteren het linkerlid alleen kan vergroten terwijl het rechterlid onveranderd blijft).

  2. Leid af: is anp<\sum a_n^p < \infty, dan liggen de cesàrogemiddelden van (an)(a_n) opnieuw in p\ell^p — en geef een voorbeeld (p=2p = 2) waarin (an)2(a_n) \in \ell^2 maar ana_n niet sommeerbaar is, terwijl Hardy de gemiddelden toch beheerst.

Deel IV — Epiloog.

  1. Toon aan dat de ongelijkheid van Hardy faalt voor p=1p = 1: bereken HfHf voor f=1[0,1]f = \mathbf 1_{\intcc01} en merk op dat HfL1Hf \notin L^1. Waar breekt het bewijs?

Deel V — De maximaalfunctie en de differentiatiestelling van Lebesgue. Hardy middelt vanaf de oorsprong; Hardy en Littlewood middelen rond elk punt. Voor fL1(R)f \in L^1(\R) definiëren we

Mf(x)=supr>0 12rxrx+rf ⁣dλ.Mf(x) = \sup_{r>0}\ \frac1{2r}\int_{x-r}^{x+r}\abs f\,\dd\lambda .
  1. (Vitali, eindige versie) Zij B1,,BNB_1, \dots, B_N open intervallen. Toon aan dat er een disjuncte deelfamilie Bi1,,BikB_{i_1}, \dots, B_{i_k} bestaat met jBjl3Bil\bigcup_jB_j \subseteq \bigcup_l3B_{i_l}, waarbij 3B3B het interval is met hetzelfde middelpunt en de drievoudige lengte (gulzig: kies telkens het langste interval dat disjunct is van de reeds gekozen).
  2. (Zwak type (1,1)(1,1)) Toon aan dat voor elke t>0t > 0

    λ({Mf>t})    3tf1:\lambda\bigl(\{Mf > t\}\bigr) \;\leq\; \frac3t\,\norm f_1 :

    elke xx met Mf(x)>tMf(x) > t bezit een gecentreerd interval BxB_x met Bxf>tλ(Bx)\int_{B_x}\abs f > t\,\lambda(B_x); neem een compacte K{Mf>t}K \subseteq \{Mf > t\} (inwendige regulariteit), overdek haar met eindig veel BxB_x, pas vraag 11 toe en put uit.

  3. Bereken M1[0,1](x)M\mathbf 1_{\intcc01}(x) voor x>1x > 1 en leid af dat MfL1Mf \notin L^1 voor elke f0f \neq 0 (Mf(x)cxMf(x) \geq \frac c{\abs x} op oneindig): bij p=1p = 1 is de zwakke ongelijkheid van vraag 12 de best mogelijke uitspraak.
  4. (Sterk type voor p>1p > 1) Voor fLpf \in L^p: splits f=f1f>t/2+f1ft/2f = f\,\mathbf 1_{\abs f > t/2} + f\,\mathbf 1_{\abs f \leq t/2}, merk op dat MfM(f1f>t/2)+t2Mf \leq M\bigl(f\mathbf 1_{\abs f > t/2}\bigr) + \frac t2, en combineer vraag 12 met de laagjesformule (Propositie 11.8) en Tonelli om

    Mfpp    6p2p1p1fpp\norm{Mf}_p^p \;\leq\; \frac{6p\,2^{p-1}}{p-1}\,\norm f_p^p

    te bewijzen. (De explosie als p1p \downarrow 1 is het falen van vraag 13, gekwantificeerd.)

  5. (Differentiatiestelling van Lebesgue) Bewijs: voor fL1(R)f \in L^1(\R) is

    12rxrx+rf ⁣dλ    f(x)(r0)voor b.o. x.\frac1{2r}\int_{x-r}^{x+r}f\,\dd\lambda \;\longrightarrow\; f(x) \qquad (r \to 0)\quad\text{voor b.o.\ }x .

    (Duidelijk voor continue ff. Schrijf in het algemeen f=g+hf = g + h met gg continu met compacte drager en h1<ε\norm h_1 < \varepsilon (Stelling 12.6); de verzameling waar de lim supr0\limsup_{r\to0} van de gemiddelde oscillatie δ\delta overtreft, ligt binnen {Mh>δ/2}{h>δ/2}\{Mh > \delta/2\} \cup \{\abs h > \delta/2\}, van maat O(ε/δ)O(\varepsilon/\delta); laat ε0\varepsilon \to 0 gaan, en daarna δ0\delta \to 0 langs een rij.)

  6. Leid af: (a) bijna elk punt is een lebesguepunt van ff; (b) voor fL1f \in L^1 is de primitieve F(x)=0xfF(x) = \int_0^xf b.o. differentieerbaar met F=fF' = f b.o. — de integraalhelft van de hoofdstelling van de integraalrekening in de wereld van Lebesgue, die de cirkel sluit die de trapfunctie (Probleem 9.1) opende door te tonen dat de andere helft kan falen.
  7. (Dichtheidspunten) Toon voor meetbare ARA \subseteq \R aan dat bijna elke xAx \in A voldoet aan λ(A[xr,x+r])2r1\frac{\lambda(A\cap\intcc{x-r}{x+r})}{2r} \to 1: meetbare verzamelingen zijn lokaal vol in bijna al hun punten. Schets in twee regels hoe dit alweer een ander bewijs van de stelling van Steinhaus (Oefening 9.8) oplevert.

Deel VI — Variaties op het thema van het middelen.

  1. (Gewogen Hardy) Toon voor α<p1\alpha < p - 1 en f0f \geq 0 aan dat

    0(F(x)x)pxα ⁣dx    (pp1α)p0f(x)pxα ⁣dx\int_0^\infty\Bigl(\frac{F(x)}x\Bigr)^{p} x^{\alpha}\,\dd x \;\leq\; \Bigl(\frac{p}{p - 1 - \alpha}\Bigr)^{p} \int_0^\infty f(x)^p\,x^{\alpha}\,\dd x

    met dezelfde partiële integratie, en ga na dat het grensgeval α=p1\alpha = p - 1 werkelijk verboden is (pas het tegenvoorbeeld van vraag 10 aan).

  2. (De toegevoegde operator) Zij Hf(x)=xf(t)t ⁣dtH^*f(x) = \int_x^{\infty}\frac{f(t)}t\,\dd t. Toon aan dat Hf,g=f,Hg\langle Hf, g\rangle = \langle f, H^*g\rangle voor niet-negatieve f,gf, g (Tonelli), en bewijs Hfppfp\norm{H^*f}_p \leq p\,\norm f_p (rechtstreeks met partiële integratie, of uit Hardy op de toegevoegde exponent via dualiteit — let op welke exponent welke constante oplevert).
  3. (Een ongelijkheid van hilberttype) Leid af dat voor niet-negatieve fLpf \in L^p, gLqg \in L^q

    0 ⁣ ⁣0f(x)g(y)max(x,y) ⁣dx ⁣dy    (p+q)fpgq\int_0^\infty\!\!\int_0^\infty \frac{f(x)\,g(y)}{\max(x,y)}\,\dd x\,\dd y \;\leq\; (p + q)\,\norm f_p\,\norm g_q

    (splits langs y<xy < x / yxy \geq x: elke helft is een paring van de ene functie tegen een Hardy-getransformeerde van de andere).

  4. (Optimaliteit, discreet) Toon aan dat ook de constante (pp1)p\bigl(\frac p{p-1}\bigr)^p van vraag 8 optimaal is: test op an=n1/p1nNa_n = n^{-1/p}\,\mathbf 1_{n \leq N}, vergelijk beide leden met integralen en laat NN \to \infty gaan (de discrete spiegel van Deel II).
  5. (Synthese) Drie middelingsoperatoren zijn in deze opgave opgedoken: die van Hardy, HH, het discrete cesàrogemiddelde en de maximaaloperator MM. Formuleer in één regel per stuk wat hun begrensdheid zegt, merk op dat alle drie precies bij p=1p = 1 falen, en verklaar waarom het driemaal hetzelfde falen is (de harmonische staart 1x\frac1x).

Deel VII — De ongelijkheid van Carleman, en hoe scherp scherp is.

  1. (Ongelijkheid van Carleman) Zij an0a_n \geq 0 met an<\sum a_n < \infty. Pas de discrete ongelijkheid van Hardy van vraag 8 toe op bn=an1/pb_n = a_n^{1/p}, gebruik de ongelijkheid tussen het rekenkundig en het meetkundig gemiddelde en laat pp \to \infty gaan (toon aan dat p(pp1)pp \mapsto \bigl(\frac p{p-1}\bigr)^p daalt naar e\eu) om

    n1(a1a2an)1/n    en1an\sum_{n\geq1}\bigl(a_1a_2\cdots a_n\bigr)^{1/n} \;\leq\; \eu\,\sum_{n\geq1}a_n

    te verkrijgen: de meetkundige gemiddelden van een sommeerbare rij zijn opnieuw sommeerbaar, tegen een prijs van hoogstens e\eu.

  2. (De constante e\eu is optimaal) Test an=1n1nNa_n = \frac1n\,\mathbf 1_{n\leq N}: toon met de Stirling-insluiting van Probleem 11.1 aan dat (n!)1/n=en(1+O(lnnn))(n!)^{-1/n} = \frac\eu n\bigl(1 + O\bigl(\frac{\ln n}n\bigr)\bigr), leid af dat beide leden van Carleman als elnN\eu\ln N groeien, en besluit dat geen enkele constante kleiner dan e\eu kan werken. (Merk het patroon op: de optimalisatoren van Hardy en van Carleman zijn beide de rijen van harmonisch type die er net niet in slagen in de ruimte te liggen.)
  3. (Hoe traag wordt “scherp” benaderd?) Neem p=2p = 2. Bereken voor f=1[0,1]f = \mathbf 1_{\intcc01} de verhouding Hf2/f2=2\norm{Hf}_2/\norm f_2 = \sqrt2, tegenover de grens 22. Bewijs voor de bijna-optimalisatoren fAf_A van vraag 5 de exacte identiteit

    HfA22=4lnA8+8A,dusHfA22fA22=488A1/2lnA.\norm{Hf_A}_2^2 = 4\ln A - 8 + \frac{8}{\sqrt A}, \qquad\text{dus}\qquad \frac{\norm{Hf_A}_2^2}{\norm{f_A}_2^2} = 4 - \frac{8 - 8A^{-1/2}}{\ln A} .

    Evalueer bij A=e10A = \eu^{10} (verhouding 1.790\approx 1.790) en becommentarieer: het supremum 22 wordt slechts met snelheid 1/lnA1/\ln A benaderd — een optimale constante kan numeriek zo goed als onzichtbaar zijn.

Oplossing

Oplossing van Probleem 12.1.

1. ff heeft drager in een [α,β](0,)[\alpha, \beta] \subseteq \intoo0\infty, dus F=0F = 0 op [0,α][0, \alpha] en FF(β)F \equiv F(\beta) op [β,)[\beta, \infty): HfHf verdwijnt nabij 00 en is O(1/x)O(1/x) op oneindig; 1xp ⁣dx<\int_1^\infty x^{-p}\dd x < \infty voor p>1p > 1, en HfHf is continu: dus HfLpHf \in L^p.

2. (x1pF(x)p)=(1p)xpFp+px1pFp1f\bigl(x^{1-p}F(x)^p\bigr)' = (1-p)x^{-p}F^p + p\,x^{1-p}F^{p-1}f. Beide randwaarden verdwijnen: in 00 omdat F=0F = 0 nabij 00; op oneindig omdat x1pFpF(β)px1p0x^{1-p}F^p \leq F(\beta)^p x^{1-p} \to 0 (p>1p > 1). Integreren van de identiteit over (0,)\intoo0\infty:

0=(1p)0(Fx)p ⁣dx+p0(Fx)p1f(x) ⁣dx,0 = (1 - p)\int_0^\infty\Bigl(\frac Fx\Bigr)^p\dd x + p\int_0^\infty\Bigl(\frac Fx\Bigr)^{p-1}f(x)\,\dd x,

en dat is de getoonde betrekking.

3. Hölder met de exponenten q=pp1q = \frac p{p-1} en pp:

(Fx)p1f((Fx)p)11/pfp,\int\Bigl(\frac Fx\Bigr)^{p-1}f \leq \Bigl(\int\Bigl(\frac Fx\Bigr)^{p}\Bigr)^{1 - 1/p}\,\norm f_p ,

dus Hfpppp1Hfpp1fp\norm{Hf}_p^p \leq \frac p{p-1}\norm{Hf}_p^{p-1}\norm f_p; deel (eindig volgens vraag 1, en is het 00, dan valt er niets te bewijzen).

4. Zij fLpf \in L^p met f0f \geq 0. Kies φkCc((0,))\varphi_k \in \mathcal C_c(\intoo0\infty) met φkf\varphi_k \to f in LpL^p (Stelling 12.6(2), gesneden met de open halve lijn — benader f1[1/k,k]f\mathbf 1_{[1/k, k]} en diagonaliseer), en vervang φk\varphi_k door φk\abs{\varphi_k} (nog steeds continu, en dichter bij f0f \geq 0). Voor elke vaste x>0x > 0 geeft Hölder op (0,x)\intoo0x

Hφk(x)Hf(x)1xx11/pφkfp0:\abs{H\varphi_k(x) - Hf(x)} \leq \frac1x\,x^{1 - 1/p}\,\norm{\varphi_k - f}_p \to 0 :

dus HφkHfH\varphi_k \to Hf puntsgewijs. Fatou en vraag 3:

(Hf)plim infk(Hφk)p(pp1)plim infkφkpp=(pp1)pfpp.\int (Hf)^p \leq \liminf_k\int(H\varphi_k)^p \leq \Bigl(\frac p{p-1}\Bigr)^p\liminf_k\norm{\varphi_k}_p^p = \Bigl(\frac p{p-1}\Bigr)^p\norm f_p^p .

Voor getekende of complexe ff: puntsgewijs is HfHf\abs{Hf} \leq H\abs f, en het niet-negatieve geval is op f\abs f van toepassing.

5. fApp=1At1 ⁣dt=lnA\norm{f_A}_p^p = \int_1^A t^{-1}\dd t = \ln A. Voor 1xA1 \leq x \leq A:

(HfA)(x)=1x1xt1/p ⁣dt=x11/p1(11p)x=pp1x1/p(1x(11/p)).(Hf_A)(x) = \frac1x\int_1^x t^{-1/p}\dd t = \frac{x^{1 - 1/p} - 1}{(1 - \tfrac1p)\,x} = \frac p{p-1}\,x^{-1/p}\bigl(1 - x^{-(1 - 1/p)}\bigr).

6. Leg ε>0\varepsilon > 0 vast en een X0X_0 met (1x(11/p))p1ε(1 - x^{-(1-1/p)})^p \geq 1 - \varepsilon voor xX0x \geq X_0. Dan is

HfAppX0A(pp1)p1εx ⁣dx=(pp1)p(1ε)(lnAlnX0),\norm{Hf_A}_p^p \geq \int_{X_0}^A\Bigl(\frac p{p-1}\Bigr)^p\frac{1 - \varepsilon}{x}\,\dd x = \Bigl(\frac p{p-1}\Bigr)^p(1 - \varepsilon)\,(\ln A - \ln X_0),

dus HfAppfApp(pp1)p(1ε)(1lnX0lnA)(pp1)p(1ε)\dfrac{\norm{Hf_A}_p^p}{\norm{f_A}_p^p} \geq \bigl(\frac p{p-1}\bigr)^p(1 - \varepsilon)\bigl(1 - \frac{\ln X_0}{\ln A}\bigr) \to \bigl(\frac p{p-1}\bigr)^p(1 - \varepsilon) als AA \to \infty: de constante kan niet verbeterd worden.

7. Gelijkheid in vraag 3 dwingt gelijkheid in Hölder af: fpf^p is b.o. evenredig met (Fx)(p1)q=(Fx)p\bigl(\frac Fx\bigr)^{(p-1)q} = \bigl(\frac Fx\bigr)^p, dat wil zeggen f=γFxf = \gamma\,\frac Fx b.o. voor een γ0\gamma \geq 0. Omdat F(x)=0xfF(x) = \int_0^xf absoluut continu is met F=fF' = f b.o., lost FF de vergelijking F=γF/xF' = \gamma F/x op: op elk interval waar F>0F > 0 is (lnF)=γ/x(\ln F)' = \gamma/x, dus F=cxγF = c\,x^{\gamma} en daar f=cγxγ1f = c\gamma x^{\gamma - 1}. Maar geen enkele macht xγ10x^{\gamma-1} \ne 0 behoort tot Lp((0,))L^p(\intoo0\infty) (op oneindig is p(γ1)<1p(\gamma - 1) < -1 nodig en in 00 juist >1> -1: onverenigbaar), en FF kan niet identiek verdwijnen tenzij f=0f = 0. Gelijkheid eist dus f=0f = 0.

8. Zij (an)(a_n) niet-stijgend en 0\geq 0; definieer de trapfunctie g(t)=atg(t) = a_{\lceil t\rceil} op (0,+)\intoo0{+\infty}: niet-stijgend, met 0gp=nanp\int_0^\infty g^p = \sum_na_n^p en 0ng=a1++an\int_0^ng = a_1 + \dots + a_n, zodat (Hg)(n)=a1++ann(Hg)(n) = \frac{a_1 + \dots + a_n}n. Het gemiddelde van een niet-stijgende functie is niet-stijgend, dus is HgHg dat ook, en

n1(a1++ann)p=n1(Hg)(n)pn1n1n(Hg)(t)p ⁣dt=Hgpp(pp1)pnanp\sum_{n\geq1}\Bigl(\frac{a_1{+}\dots{+}a_n}n\Bigr)^p = \sum_{n\geq1}(Hg)(n)^p \leq \sum_{n\geq1}\int_{n-1}^n (Hg)(t)^p\,\dd t = \norm{Hg}_p^p \leq \Bigl(\frac p{p-1}\Bigr)^p\sum_n a_n^p

volgens Deel I. Voor een algemene niet-negatieve rij zij (an)(a_n^*) haar niet-stijgende herschikking (mogelijk zodra an0a_n \to 0, wat we mogen aannemen — anders zijn beide leden oneindig): het rechterlid verandert niet, en elke partiële som a1++ana_1 + \dots + a_n is hoogstens a1++ana_1^* + \dots + a_n^* (de nn grootste termen): het linkerlid kan alleen groeien. Daarmee geldt de ongelijkheid voor alle (an)(a_n).

9. Is (an)p(a_n) \in \ell^p, dan ligt de rij van cesàrogemiddelden in p\ell^p, met norm pp1ap\leq \frac p{p-1}\norm a_p. Voorbeeld (p=2p = 2): an=1nlnna_n = \frac1{\sqrt n\,\ln n} (n2n \geq 2): an2=1nln2n<\sum a_n^2 = \sum\frac1{n\ln^2n} < \infty, terwijl an=\sum a_n = \infty (integraalcriterium); Hardy waarborgt niettemin n(a1++ann)2<\sum_n\bigl(\frac{a_1 + \dots + a_n}n\bigr)^2 < \infty.

10. Voor f=1[0,1]f = \mathbf 1_{\intcc01} is Hf(x)=1Hf(x) = 1 op (0,1]\intoc01 en =1x= \frac1x voor x1x \geq 1: dus 0Hf=1+1 ⁣dxx=\int_0^\infty Hf = 1 + \int_1^\infty\frac{\dd x}x = \infty, terwijl f1=1\norm f_1 = 1. Het bewijs stort op twee punten in: de constante pp1\frac p{p-1} explodeert als p1p \to 1, en de randterm x1pFpx^{1-p}F^p verdwijnt op oneindig niet meer voor p=1p = 1. De ongelijkheid van Hardy is een eerlijk verschijnsel van p>1p > 1.

11. Kies het langste interval Bi1B_{i_1}; gooi elk interval weg dat het snijdt; kies de langste overlevende Bi2B_{i_2}; itereer (er zijn eindig veel intervallen). De gekozen intervallen zijn per constructie disjunct, en elk weggegooid BB sneed een gekozen interval dat minstens even lang was: een interval dat een langer of even lang interval snijdt, ligt in het drievoud daarvan, B3BilB \subseteq 3B_{i_l}.

12. {Mf>t}\{Mf > t\} is open: elk gemiddelde x12rxrx+rfx \mapsto \frac1{2r}\int_{x-r}^{x+r}\abs f is continu (gedomineerde convergentie in xx), en een supremum van continue functies is halfcontinu van onderen. Elke xx erin bezit een Bx=(xrx,x+rx)B_x = \intoo{x-r_x}{x+r_x} met Bxf>tλ(Bx)\int_{B_x}\abs f > t\,\lambda(B_x). Voor compacte K{Mf>t}K \subseteq \{Mf > t\}: eindig veel BxB_x overdekken KK, Vitali (vraag 11) haalt er disjuncte B1,,BkB_1', \dots, B_k' uit met Kl3BlK \subseteq \bigcup_l3B_l', dus

λ(K)3lλ(Bl)<3tlBlf3tf1\lambda(K) \leq 3\sum_l\lambda(B_l') < \frac3t\sum_l\int_{B_l'}\abs f \leq \frac3t\,\norm f_1

wegens de disjunctheid; de inwendige regulariteit (Stelling 9.13) besluit.

13. Voor x>1x > 1: voor r[x1,x]r \in \intcc{x-1}x is het gemiddelde rx+12r\frac{r - x + 1}{2r}, stijgend in rr; voor rxr \geq x is het 12r\frac1{2r}, dalend: het supremum is 12x\frac1{2x}, bereikt bij r=xr = x. Dus M1[0,1]L1M\mathbf 1_{\intcc01} \notin L^1. In het algemeen: is If=c>0\int_I\abs f = c > 0 op een begrensd interval I[C,C]I \subseteq \intcc{-C}C, dan is Mf(x)c2(x+C)Mf(x) \geq \frac{c}{2(\abs x + C)} voor alle xx: nooit integreerbaar, tenzij f=0f = 0 b.o.

14. Met ft=f1f>t/2f_t = f\,\mathbf 1_{\abs f > t/2} is M(fft)t2M(f - f_t) \leq \frac t2, dus {Mf>t}{Mft>t2}\{Mf > t\} \subseteq \{Mf_t > \frac t2\}, en vraag 12 geeft λ(Mf>t)6tf>t/2f\lambda(Mf > t) \leq \frac6t\int_{\abs f > t/2}\abs f. Laagjesformule (Propositie 11.8) en Tonelli:

Mfpp=p0tp1λ(Mf>t) ⁣dt6pf02ftp2 ⁣dt ⁣dλ=6p2p1p1fpp.\norm{Mf}_p^p = p\int_0^\infty t^{p-1}\lambda(Mf > t)\dd t \leq 6p\int\abs f\int_0^{2\abs f}t^{p-2}\,\dd t\,\dd\lambda = \frac{6p\,2^{p-1}}{p-1}\,\norm f_p^p .

15. Schrijf Arf(x)=12rxrx+rfA_rf(x) = \frac1{2r}\int_{x-r}^{x+r}f. Voor continue gg is Arg(x)g(x)A_rg(x) \to g(x) overal. Splits, gegeven ε>0\varepsilon > 0, f=g+hf = g + h met gg continu met compacte drager en h1<ε\norm h_1 < \varepsilon (Stelling 12.6); dan is

lim supr0Arf(x)f(x)Mh(x)+h(x),\limsup_{r\to0}\,\abs{A_rf(x) - f(x)} \leq Mh(x) + \abs{h(x)},

zodat Ωδ={lim suprArff>δ}{Mh>δ2}{h>δ2}\Omega_\delta = \{\limsup_r\abs{A_rf - f} > \delta\} \subseteq \{Mh > \tfrac\delta2\} \cup \{\abs h > \tfrac\delta2\} maat 6εδ+2εδ\leq \frac{6\varepsilon}\delta + \frac{2\varepsilon}\delta heeft (vraag 12; Markov). Omdat ε\varepsilon willekeurig is, is λ(Ωδ)=0\lambda(\Omega_\delta) = 0; verenig over δ=1k\delta = \frac1k: dus ArffA_rf \to f b.o.

16. (a) Voor elke qQq \in \Q geeft vraag 15, toegepast op fq\abs{f - q}, dat Arfq(x)f(x)qA_r\abs{f - q}(x) \to \abs{f(x) - q} b.o.; kies op de doorsnede van deze verzamelingen van volle maat een qq met f(x)q<η\abs{f(x) - q} < \eta: dan is lim suprArff(x)(x)2η\limsup_rA_r\abs{f - f(x)}(x) \leq 2\eta voor elke η\eta: bijna elke xx is een lebesguepunt. (b) In een lebesguepunt is

F(x+h)F(x)hf(x)=1hxx+h(ff(x))2Ahff(x)(x)0:\Bigl|\frac{F(x + h) - F(x)}h - f(x)\Bigr| = \Bigl|\frac1h\int_x^{x+h}\bigl(f - f(x)\bigr)\Bigr| \leq 2\,A_{\abs h}\abs{f - f(x)}(x) \to 0 :

dus F=fF' = f b.o. — primitieven van L1L^1-functies differentiëren wel degelijk terug; de trapfunctie (Probleem 9.1) is enkel het tegenvoorbeeld voor de omgekeerde richting.

17. Pas vraag 15 toe op 1A[n,n]\mathbf 1_{A\cap[-n,n]} en laat nn groeien: voor b.o. xAx \in A gaat de dichtheid λ(A[xr,x+r])2r\frac{\lambda(A\cap\intcc{x-r}{x+r})}{2r} naar 11. Steinhaus: neem rond een dichtheidspunt een rr met dichtheid >34> \frac34; voor t<r2\abs t < \frac r2 vullen AA en A+tA + t elk meer dan 32r\frac32r van een interval van lengte 52r\leq \frac52r, en snijden elkaar dus: bijgevolg is (r/2,r/2)AA\intoo{-r/2}{r/2} \subseteq A - A.

18. Stel G(x)=xα+1pF(x)pG(x) = x^{\alpha+1-p}F(x)^p: GG verdwijnt in 00 (FF verdwijnt nabij 00) en op oneindig (FF begrensd, α+1p<0\alpha + 1 - p < 0), dus 0G=0\int_0^\infty G' = 0, met

G=(α+1p)xαpFp+pxα+1pFp1f=(α+1p)(Fx)pxα+p(Fx)p1fxα.G' = (\alpha + 1 - p)\,x^{\alpha-p}F^p + p\,x^{\alpha+1-p}F^{p-1}f = (\alpha + 1 - p)\Bigl(\frac Fx\Bigr)^px^\alpha + p\Bigl(\frac Fx\Bigr)^{p-1}f\,x^\alpha .

Bijgevolg is (F/x)pxα=pp1α(F/x)p1fxα\int(F/x)^px^\alpha = \frac{p}{p-1-\alpha} \int(F/x)^{p-1}f\,x^\alpha; Hölder voor de maat xα ⁣dxx^\alpha\dd x (exponenten pp1\frac p{p-1} en pp) maakt het af als in vraag 3. Het grensgeval α=p1\alpha = p - 1: met f(t)=1t1[1,A]f(t) = \frac1t\mathbf 1_{\intcc1A} is het rechterlid lnA\ln A, terwijl het linkerlid 1A(lnx)px ⁣dx=(lnA)p+1p+1\int_1^A\frac{(\ln x)^p}x\dd x = \frac{(\ln A)^{p+1}}{p+1} bevat: geen enkele constante overleeft AA \to \infty.

19. Tonelli op {0<t<x}\{0 < t < x\}:

Hf,g=0g(x)x0xf(t) ⁣dt ⁣dx=0f(t)tg(x)x ⁣dx ⁣dt=f,Hg.\langle Hf, g\rangle = \int_0^\infty\frac{g(x)}x\int_0^xf(t)\,\dd t\,\dd x = \int_0^\infty f(t)\int_t^\infty\frac{g(x)}x\,\dd x\,\dd t = \langle f, H^*g\rangle .

Dualiteit: Hfp=sup{f,Hg:g0,gq1}fpsupHgqqq1fp=pfp\norm{H^*f}_p = \sup\{\langle f, Hg\rangle : g \geq 0, \norm g_q \leq 1\} \leq \norm f_p\cdot \sup\norm{Hg}_q \leq \frac q{q-1}\norm f_p = p\,\norm f_p, waarbij Hardy in LqL^q wordt ingeroepen, met een constante qq1\frac q{q-1} die gelijk is aan pp.

20. Splits langs de (verwaarloosbare) diagonaal. Op {yx}\{y \leq x\}:

yxf(x)g(y)x ⁣dy ⁣dx=f(x)(Hg)(x) ⁣dxfpHgqpfpgq,\iint_{y\leq x}\frac{f(x)g(y)}{x}\,\dd y\,\dd x = \int f(x)\,(Hg)(x)\,\dd x \leq \norm f_p\,\norm{Hg}_q \leq p\,\norm f_p\norm g_q,

want Hardy in LqL^q draagt de constante qq1=p\frac q{q-1} = p. Symmetrisch is y>x=g(Hf)gqHfpqfpgq\iint_{y>x} = \int g\,(Hf) \leq \norm g_q\norm{Hf}_p \leq q\,\norm f_p\norm g_q (want pp1=q\frac p{p-1} = q). Samen: (p+q)fpgq(p + q)\,\norm f_p\norm g_q.

21. Voor an=n1/pa_n = n^{-1/p} met nNn \leq N is het rechterlid (pp1)pnN1n=(pp1)plnN+O(1)\bigl(\frac p{p-1}\bigr)^p\sum_{n\leq N}\frac1n = \bigl(\frac p{p-1}\bigr)^p\ln N + O(1). Links is voor nNn \leq N a1++an1n+1t1/p ⁣dt=pp1((n+1)11/p1)a_1 + \dots + a_n \geq \int_1^{n+1}t^{-1/p}\dd t = \frac{p}{p-1}\bigl((n+1)^{1-1/p} - 1\bigr), dus is het nn-de cesàrogemiddelde pp1n1/p(1o(1))\geq \frac p{p-1}n^{-1/p}(1 - o(1)), uniform voor nn in elk bereik nn0(η)n \geq n_0(\eta); tot de macht pp verheven en gesommeerd is het linkerlid (pp1)p(1η)lnN+Oη(1)\geq \bigl(\frac p{p-1}\bigr)^p(1 - \eta)\ln N + O_\eta(1). Delen en NN \to \infty laten gaan, en daarna η0\eta \to 0: geen enkele constante kleiner dan (pp1)p\bigl(\frac p{p-1}\bigr)^p kan werken.

22. HH begrensd op LpL^p: cumulatieve gemiddelden blazen pp-normen niet op (constante pp1\frac p{p-1}); Cesàro op p\ell^p: hetzelfde, gediscretiseerd; MM begrensd op LpL^p: zelfs het beste lokale gemiddelde blijft onder controle (constante O(1p1)O(\frac1{p-1})). Alle drie falen bij p=1p = 1, en om één reden: het middelen van een geconcentreerde eenheid massa brengt een staart 1x\frac1x voort (vragen 10 en 13), en 1x\frac1x behoort op oneindig tot elke LpL^p behalve L1L^1. Gladstrijken spreidt massa precies tot aan de harmonische grens van de integreerbaarheid.

23. Stel bn=an1/pb_n = a_n^{1/p}, zodat bnp=an\sum b_n^p = \sum a_n. Vraag 8 geeft

n1(b1++bnn)p(pp1)pn1an,\sum_{n\geq1}\Bigl(\frac{b_1 + \dots + b_n}n\Bigr)^{p} \leq \Bigl(\frac p{p-1}\Bigr)^{p}\sum_{n\geq1}a_n,

en het rekenkundig–meetkundig gemiddelde begrenst elke term van onderen:

(b1++bnn)p(b1bn)p/n=(a1an)1/n.\Bigl(\frac{b_1 + \dots + b_n}n\Bigr)^{p} \geq \bigl(b_1\cdots b_n\bigr)^{p/n} = \bigl(a_1\cdots a_n\bigr)^{1/n}.

Bijgevolg is (a1an)1/n(pp1)pan\sum(a_1\cdots a_n)^{1/n} \leq \bigl(\frac p{p-1}\bigr)^p\sum a_n voor elke p>1p > 1. Met m=p1m = p - 1 is

(pp1)p=(1+1m)m+1,\Bigl(\frac p{p-1}\Bigr)^{p} = \Bigl(1 + \frac1m\Bigr)^{m+1},

dat daalt naar e\eu als mm \to \infty (de klassieke monotone bovenrij voor e\eu). Het infimum over pp nemen geeft de ongelijkheid van Carleman met constante e\eu.

24. Voor an=1na_n = \frac1n is (a1an)1/n=(n!)1/n(a_1\cdots a_n)^{1/n} = (n!)^{-1/n}. De insluiting van Probleem 11.1 geeft 2πn(n/e)nn!2πn(n/e)ne1/(12n)\sqrt{2\pi n}\,(n/\eu)^n \leq n! \leq \sqrt{2\pi n}\,(n/\eu)^n\eu^{1/(12n)}, dus

(n!)1/n=ne(2πn)1/(2n)eO(1/n2)=ne(1+O(lnnn)),(n!)^{1/n} = \frac n\eu\,(2\pi n)^{1/(2n)} \eu^{O(1/n^2)} = \frac n\eu\Bigl(1 + O\Bigl(\frac{\ln n}{n}\Bigr)\Bigr),

want (2πn)1/(2n)=exp(ln(2πn)2n)(2\pi n)^{1/(2n)} = \exp\bigl(\frac{\ln(2\pi n)}{2n}\bigr). Omkeren geeft (n!)1/n=en(1+O(lnnn))(n!)^{-1/n} = \frac\eu n(1 + O(\frac{\ln n}n)), en sommeren over nNn \leq N:

nN(n!)1/n=elnN+O(1),enN1n=elnN+O(1)\sum_{n\leq N}(n!)^{-1/n} = \eu\ln N + O(1), \qquad \eu\sum_{n\leq N}\frac1n = \eu\ln N + O(1)

(de foutenreeks lnnn2\sum\frac{\ln n}{n^2} convergeert). Een ongelijkheid van Carleman met constante cc zou elnN+O(1)c(lnN+O(1))\eu\ln N + O(1) \leq c\,(\ln N + O(1)) afdwingen, dus na deling door lnN\ln N dat cec \geq \eu. De optimaliserende rijen lopen gelijk: de constante van Hardy wordt benaderd door n1/pn^{-1/p} (vraag 21), die van Carleman door n1n^{-1} — telkens de rij van harmonisch type die net buiten de ruimte ligt waarin gemiddeld wordt.

25. Voor f=1[0,1]f = \mathbf 1_{\intcc01} is Hf(x)=1Hf(x) = 1 op (0,1]\intoc01 en Hf(x)=1xHf(x) = \frac1x voor x>1x > 1, dus Hf22=1+1x2 ⁣dx=2\norm{Hf}_2^2 = 1 + \int_1^\infty x^{-2}\dd x = 2 en de verhouding is 21.414\sqrt2 \approx 1.414, ongeveer 71%71\% van de scherpe grens. Voor fAf_A (p=2p = 2) is F(x)=2(x1)F(x) = 2(\sqrt x - 1) op [1,A]\intcc1A, dus daar HfA=2x1/22x1Hf_A = 2x^{-1/2} - 2x^{-1} en, voor x>Ax > A, HfA(x)=2(A1)/xHf_A(x) = 2(\sqrt A - 1)/x. Kwadrateren en integreren:

1A(2x1/22x1)2 ⁣dx=4lnA12+16A4A,A4(A1)2x2 ⁣dx=48A+4A,\begin{align*} \int_1^A\bigl(2x^{-1/2} - 2x^{-1}\bigr)^2\dd x &= 4\ln A - 12 + \frac{16}{\sqrt A} - \frac4A,\\ \int_A^{\infty}\frac{4(\sqrt A - 1)^2}{x^2}\,\dd x &= 4 - \frac{8}{\sqrt A} + \frac4A, \end{align*}

waaruit HfA22=4lnA8+8A1/2\norm{Hf_A}_2^2 = 4\ln A - 8 + 8A^{-1/2}; delen door fA22=lnA\norm{f_A}_2^2 = \ln A geeft de vermelde identiteit. Bij A=e10A = \eu^{10}: 48(1e5)10=3.20544 - \frac{8(1 - \eu^{-5})}{10} = 3.2054, dus is de verhouding 3.20541.790<2\sqrt{3.2054} \approx 1.790 < 2. Het tekort 4HfA22/fA228/lnA4 - \norm{Hf_A}_2^2/\norm{f_A}_2^2 \sim 8/\ln A neemt slechts logaritmisch af: om verhouding 1.991.99 te bereiken zou je lnA200\ln A \approx 200 nodig hebben, dat wil zeggen A1087A \approx 10^{87}. Scherpe constanten zijn stellingen, geen experimenten.